Alles wat ik doe doet me pijn

‘Hoe lang ben je al in Nederland?’ Het is voor een vreemdeling de meest gehoorde vraag.

Het is straks tweeëntwintig jaar  ̶  maar het went niet, geen seconde.

Alleen de gemoedtoestand went: wispelturig; zoekgeraakt; onwennig. Maar vooral tijdelijk is ons bestaanbesef.

Twee-en-twintig-jaar. En met mij, vele andere verdwaalde Iraniërs, die hier al langer hier zijn. En ook velen die na mij zijn gekomen. Het levert vele levensschetsen op. Een onzichtbaar, maar altijd aanwezige spoor van Iraanse nostalgie, hier in Nederland.

Over de vlakke Hollandse landschappen, dwars door de Mondriaan-achtige omgeving, loopt een Perzische krul. Een kalligrafisch wervelende signatuur.

Wat een contrast.

In ons dragen we de zoektocht van ruwe, duizenden jaren oud Iraanse landschappen. Met veel fantasie, en ook veel fanatisme, gaat onze mythische queeste om het licht te vinden voort.

Nu, hier in het Avondland,  is onze grootste uitdaging, het register van herinneringen niet al te vaak open te trekken. Vluchten voor heimwee, levenslang vluchten voor het diepe besef dat we verlaten zijn, achtergelaten in een landstreek van volstrekt tegenovergestelde emoties.

We zijn beland in het land van Calvijn en Luther, de cultus van het “bijhouden” het ritme van de dag en van het denken bepaalt: het bijhouden van dijken, van waterschappen, van daken en straten, en van de administraties natuurlijk: de Hollandse habitus van opgeruimd staat netjes en van gewoon doen, dan doe je gek genoeg.

Hoe is dat in rijm te brengen met het Perzische ethos van verheelijking van ruines, “kharabaat”, en van de poëtische roep van de meester van Perzisch mystiek, onze Molana, hier vooral bekend als Rumi, dat luidt: ‘Laat alle dat gedachtespinsels achter je; wordt waanzinnig; waanzinnig! (Divane show; Divaneh show)’

Verdwaald, dat is het gevoel dat het stempel drukt op ons leven in dit eerlijke; geordende; realistische land derüuber-administratoren.

Ik denk dat met mij hier vele Iraniërs verdwaald zijn geraak. Toch durven we elkaar maar niet te vinden.

En omdat we overgelaten zijn aan de beloning- en strafstructuren van dit land, zijn we ook een beetje een speelbal van de Hollandse gemoedtoestand: een gemoedtoestand die ondanks alle kennis die we ijverig blijven opdoen en naar binnen zuigen, toch onvoorstelbaar blijft voor wie niet in dit emotionele klimaat geboren en getogen is.

Ik wil het heel graag goed doen in dit land.

Wij Iraniërs willen het graag goed doen, te graag denk ik soms.

Als een soort pijnstiller voor het gemis. En toch. Alles wat we doen, doet ons pijn.

Ik geloof niet dat Iraniërs een volk van emigranten zijn. Het zit niet in onze natuur.

Wij beschikken niet over een verinnerlijkte drift tot welvaart en welzijn, die ons door de wereld zou laten zwerven. Kijk niet naar de laatste dertig jaar, dit is een uitzonderlijke periode. En trek geen verkeerde conclusie uit je wens er altijd picobello uit te willen zien. Diep in onze hart willen we niets liever zijn dan Derwisjen, materie en de materiële drang achter ons te laten. “Javanmard” zijn. Ridderlijk, leven voor een bovennatuurlijke queeste.

Wij zijn te gehecht aan geraffineerde, miniaturistkiese verhalen en de gecodeerde en verborgen taal van onze eeuwige geheimen, om ons terug te kunnen vinden in een andere taal.

Hoeveel Nederlanders kennen gedichten van een dichter uit de dertiende of veertiende eeuw? Het Nederlands bestond nog amper. Wij kunnen uren, dagen, weken zwelgen in een gedicht van Hafez of  Rumi.

Moulana werd door de krijgers van Dzjengiz Khan uit Balkh verdreven. Anders zou hij het grote Khorasan nooit hebben verlaten. Hafez was nog maar net in Yazd, de dichtstbijzijnde grote stad in de omgeving van Shiraz, toen hij in tranen uitbarstte bij het zien van de zogenaamde Alexander-gevangenis, omdat een leven zo ver van Shiraz net een gevangenis voor hem was.

We geven het niet graag toe, maar we zijn afgesneden van onze bodem. En we zullen eeuwig bloeden.

En alles wat we doen doet pijn.

Misschien durven we dat ooit onder de ogen te zien. Door de nostalgie toe te laten en de heimwee te omhelzen kunnen we niet terugkeren naar het verleden. Maar wellicht kunnen we troost vinden in scheppende schoonheid van pijnbesef.

En dat is in een notendop de praktische en vruchtvolle betekenis van de Perzische mystiek. Daar hebben we het een ander keertje over, langer en uitbundiger.

Shervin Nekuee

30 Oktober 2009

This entry was posted in Diversity, Migration and tagged , . Bookmark the permalink.

Comments are closed.