Amin Maalouf: De ontregeling van de wereld

Door: Erwin Jans

Zowel in zijn romans als in zijn essays is Amin Maalouf — geboren in Beiroet en sinds 1976 werkzaam in Parijs — een bij uitstek geëngageerd observator van de vele uitdagingen en bedreigingen van de geglobaliseerde multiculturele wereld. Vooral de communitaristische reflex — de strijd der identiteiten die de strijd der ideologieën heeft afgelost — beschouwt Maalouf als een van de grote gevaren voor de moderne samenleving waarin het contact tussen mensen uit verschillende culturen steeds intenser wordt. Met zijn essay Moorddadige identiteiten (1998) schreef hij al een glashelder pleidooi tegen de vaak fatale cultus van de (culturele, religieuze, etnische, nationale…) identiteit. Even transparant is zijn recentste essay, De ontregeling van de wereld (2009), maar de toon en de opbouw ervan zijn nerveuzer en onrustiger. Alsof Maalouf zich geconfronteerd ziet met een nog grotere bedreiging. Naar eigen zeggen heeft hij dit essay geschreven ‘voortdurend heen en weer geslingerd tussen hevige ongerustheid en hoop. […] Om te zeggen dat de tijd dringt, maar dat het nog niet te laat is.’

Ook in dit essay speelt het schrikbeeld van de ‘planetaire stammen’, zoals Maalouf het dit keer noemt, een belangrijke rol. Maar in zijn analyse gaat hij een stap verder. De originele Franse tekst heeft een ondertitel die niet in het Nederlands is mee vertaald, maar wel een idee geeft van Maaloufs grondgedachte: ‘Quand nos civilisations s’épuisent.’ Met ‘onze beschavingen’ bedoelt Maalouf in de eerste plaats het Westen en de Arabisch-islamitische wereld. De spanning tussen beide beschavingen is de kern van Maaloufs betoog. Zijn biografie is daar wellicht niet helemaal vreemd aan: Maalouf ziet zichzelf expliciet als een erfgenaam van beide werelden. Die kenmerken zich door ‘uitputting’, en daar bedoelt Maalouf in de eerste plaats ‘morele uitputting’ mee: ‘Wat ik de Arabische wereld vandaag de dag verwijt, is haar gebrek aan moreel bewustzijn; wat ik het Westen verwijt, is de neiging om zijn moreel besef aan te wenden als een middel om te overheersen. […] In het betoog van de ene partij zou men tevergeefs zoeken naar sporen van een ethische bezorgdheid of een verwijzing naar de universele waarden; in het betoog van de andere partij zijn die zorgen en die verwijzingen alomtegenwoordig, maar worden ze selectief gebruikt en voortdurend voor politieke doeleinden verdraaid.’

Het uitgebreidst gaat Maalouf in op de morele crisis in de Arabische wereld. Net zoals Eugene Rogan in zijn studie De Arabieren: een geschiedenis ziet Maalouf de moderne Arabische geschiedenis als een geschiedenis van nederlagen en van een steeds zwaarder wegend gevoel van vernedering. Zeer verhelderend zijn de pagina’s die hij wijdt aan de figuur van Nasser, de leider van Egypte tussen 1952 en 1970, die er voorlopig als laatste in slaagde een soort van Arab pride te creëren. Na het tijdperk van Nasser ziet Maalouf enkel nog een neergaande beweging, niet in de laatste plaats omwille van het islamisme dat de plaats heeft ingenomen van de nationalistische ideologieën. De aanwezigheid van de islam heeft in de Arabische wereld echter niet geleid tot meer ethisch besef. Integendeel, het heeft de kans gegeven aan het moorddadige identiteitsbeest om zich te manifesteren. De bloedige broederstrijd tussen soennieten en sjiieten in Irak en het lot van religieuze minderheden in de Arabische wereld zijn hier trieste voorbeelden van.

De morele uitputting brengt Maalouf in verband met het verlies aan legitimiteit van de twee beschavingen. De legitimiteitscrisis in de Arabische wereld uit zich in het dubbele gegeven dat de bevolking zich niet langer identificeert met zijn (vaak corrupte, dictatoriale, door het Westen gesteunde) overheid, en sympathie heeft voor militante groepen die in het Westen als terroristische of fundamentalistische organisaties beschouwd worden. Zo ontstaan er twee parallelle politieke werelden: een officiële en een ondergrondse, die geen van beide volledige legitimiteit hebben. Daartegenover staat Amerika, wiens president in eigen land wel volledige legitimiteit heeft, maar dat als enige supermacht een door niets gelegitimeerde jurisprudentie heeft over de hele wereld. Door de dubbele moraal die Amerika in zijn buitenlandbeleid hanteert, kan het alleen door militair overwicht zijn superioriteit behouden.

Maaloufs inzichten zijn het scherpst wanneer ze zich in een aantal paradoxen formuleren. Zo wijst hij op het belang van het pausdom en het kerkelijk instituut als een tegengewicht voor de ambities van de wereldlijke heersers en als een stabiliserende en normerende factor in godsdienstige kwesties. Omdat kerk en clerus ontbreken in de islam, kunnen extremistische krachten steeds weer opduiken zonder door een religieus gezag te worden beteugeld. In dat opzicht heeft de kerk volgens Maalouf een belangrijke rol gespeeld in de intellectuele en democratische ontwikkeling van het Westen. In navolging van de ontwikkelingen in het Westen pleit hij ook voor een duidelijke scheiding tussen religie en staat in de Arabisch-islamitische wereld. Een andere paradox is dat het Westen en het kapitalistische systeem op het ogenblik dat ze winnen (de val van het communisme en de globale culturele ‘verwestering’) ook in hun grootste crisis terechtkomen: de democratie doet het op mondiaal vlak zeer slecht en we gaan nog steeds gebukt onder de financiële meltdown van 2008.

Het essay eindigt niet volledig pessimistisch, hoe somber de ontwikkelingen ook zijn die Maalouf beschrijft. Maalouf wedt op twee paarden: de universele waarden en de culturele diversiteit. Alle mensengemeenschappen zullen zich tot die twee principes moeten bekennen, willen ze samen een leefbare wereld creëren. Ook ziet hij een belangrijke plaats weggelegd voor de talrijke migranten ter wereld als mogelijke brugfiguren tussen culturen. Het alternatief waarvoor hij de wereld stelt is duidelijk: ‘Enerzijds dus verschillende “beschavingen” die met elkaar botsen maar die in cultureel opzicht elkaar nabootsen en zich uniformeren; anderzijds een enkele menselijke beschaving die zich echter in een onbegrensde diversiteit ontplooit.’ De ontregeling van de wereld bevat misschien weinig originele inzichten, maar de passie waarmee het boek geschreven is en de helderheid en de synthetische kracht ervan, maken het tot een must voor ieder die begaan is met de globale stand der dingen.

Amin Maalouf: De ontregeling van de wereld, De Geus Breda, 2010, 253 p., € 19,90

uit: http://www.deleeswolf.be/
ISBN 9789044515619. Vert. van: Le dérèglement du monde door Eef Gratama

This entry was posted in Books. Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

You may use these HTML tags and attributes: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>