Ahmad Shamlu

Poëzie is het leven zelf

Door: Sharog Heshmat Manesh

Al jaren houd ik mij bezig met het werk van Ahmad Shamlu (1925–2000). Ik heb zijn gedichten vertaald naar mijn tweede taal, het Nederlands, ik heb ze geanalyseerd en ik heb er stukken over geschreven. Zo vormen ze zowel mijn band met mijn vaderland en moedertaal, als de brug naar mijn nieuwe land. Het is niet eenvoudig om te schrijven over een dichter op wiens poëzie ik verliefd ben.
Ahmad Shamlu wordt door Iraniërs binnen en buiten Iran even vurig Vereerd als Victor Hugo in Frankrijk, Federico Garcia Lorca in Spanje, Lucebert in Nederland, als Pablo Neruda in Chili en als zijn goede vriend Nazim Hikmet in Turkije. Shamlu plaatste de Iraanse literatuur resoluut op de agenda van de politiek. Hij dwong daarmee het respect van de intellectuelen af. Tijdens de laatste jaren van zijn leven maakte hij zelfs een soort religie van zijn poëzie die bij zijn landgenoten zeer aansloeg.

Iraniërs geven zijn gedichtenbundels cadeau aan hun geliefden en vrienden. In Teheran vullen de boekhandels hun rekken overvloedig met alle verschillende uitgaven. Niet alleen zijn landgenoten zijn onder de indruk van Shamlu. Bij leven was hij kandidaat voor de Nobelprijs. Hij nam deel aan grote internationale poëziefestivals. En zijn poëzie is vertaald in o.a. het Spaans, Russisch, Armeens, Engels, Frans, Duits, Zweeds en Japans. Shamlu is een van de meest geëngageerde en invloedrijke dichters van
Iran van de vorige eeuw. Zijn leven en werk dragen de sporen van de sociale, politieke en culturele ontwikkelingen van het post-Mosaddeqtijdperk – de democratisch gekozen premier Mossadeq nationaliseerde de Iraanse olie-industrie, waarna hij in 1953 met een door de cia georganiseerde staatsgreep ten val werd gebracht. De dichter kwam vanwege zijn politieke engagement enkele malen in de gevangenis.

In zijn poëzie moest Shamlu een gevecht leveren om naast de klassieke traditionele poëzie een eigen literaire stem te ontwikkelen. Hij was een leerling van de befaamde dichter Nima Youshij (1895–1960), die de Iraanse poëzie moderniseerde. In deze selectie heb ik het gedicht ‘Golku’ opgenomen, dat geheel gebaseerd is op de stijl van Joesjidi’s poëzie.
Golku is een meisjesnaam van het Iraanse platteland. Ook met zijn ritme refereert het gedicht aan de folklore. Shamlu transformeert die folkloristische elementen in moderne poëzie, op een manier die kenmerkend is voor veel modernistische kunstenaars. Hetzelfde procedé past hij toe in het hier eveneens opgenomen ‘Regen’. Dat gedicht schreef hij in de jaren vijftig tijdens een gevangenschap. Een ooievaar speelt er een rol in. De ooievaar is een sociaal dier, maar heeft ook veel tijd voor zichzelf nodig. Voor Shamlu symboliseert de ooievaar goddelijke vermogens, onbaatzuchtige liefde en trouw aan het nageslacht. Hij verbindt in het gedicht vervolgens die eigenschappen met zijn kameraden. Individualiteit én socialiteit zijn voor hem de kernwaarden van de moderne tijd die zij dichterbij wilden brengen.

De poëzie van Shamlu varieert van korte kernachtige gedichten tot lange en zeer gecompliceerde teksten die naar het proza neigen. Van beide uitersten zijn hier voorbeelden opgenomen. Shamlu speelt steeds opnieuw een spel met de realiteit en een mythologiserende verbeelding.
Stemmingen zoals hoop, machteloosheid, liefde en haat, zijn voortdurend voelbaar. Tegelijk is voor iedereen die op de hoogte is van de maatschappelijke situatie in Iran, duidelijk dat hij bepaalde thema’s met de grootst mogelijke voorzichtigheid en bedachtzaamheid moest verwoorden.
Shamlu nam op zijn manier afscheid van de klassieke poëzie. Dit is al af te lezen aan sommige titels van zijn bundels, zoals IJzers en emoties (Ahanha va ehsas, 1951–1953), De resolutie (Q’atnameh, 1951) en Frisse Lucht (Havayeh Tazeh, 1957). Ook in zijn poëzie laat hij soms merken dat de technische voorschriften van de klassieke poëzie hem behoorlijk dwars zitten. Zo schrijft hij in ‘De rode bloesem van een jurk’ uit De resolutie:
‘Ik draag het zware stenen rijm op mijn schouders, in de gevangenis van de poëzie ben ik opgesloten, als een beeld gevangen in de lijst.’ Om die lijst te breken maakt hij tegelijk gebruik van de voorschriften én treedt ze met voeten. Ook in zijn beeldtaal probeert hij er steeds aan te ontkomen door de klassieke beelden te transformeren. Zelfs in zijn kalligrafie ontwikkelt hij een nieuwe, door Mallarmé geïnspireerde openheid in het tekstbeeld. Met al die middelen creëert hij een nieuwe betekenisomgeving voor de dichtkunst in zijn oedertaal. Het is voor hem een manier om met zijn poëzie dicht bij gewone mensen te komen. Geen enkele hedendaagse Iraanse dichter ontkomt aan een intensieve dialoog met de klassieke poëzie. In de eerste tijd van haar bestaan zijn daarin diverse stijlen ontwikkeld die heel bepalend zijn voor het retorisch vermogen van de taal. Nog steeds, want haar hoogtepunten vormden
eeuwenlang de fundamenten van alle nieuwe poëzie.

Door de economische en sociale veranderingen in de Iraanse samenleving aan het eind van de jaren vijftig van de vorige eeuw kwam er spanning in dat fundament. De leefwereld van de moderne tijd contrasteerde met de vormen en thema’s van de klassieke poëzie. Er ontstond behoefte aan een veel individuelere expressie. Er werden allerlei pogingen ondernomen om tot veranderingen te komen. In de jaren zestig en zeventig kwamen verschillende belangrijke dichters naar voren die schreven vanuit die spanning tussen  traditie en moderniteit. Enkele namen van hen die naast en na Shamlu het literaire landschap tot aan de Iraanse Islamitische Revolutie van 1979 bepaalden, zijn Akhavan Sales (1928–1990), Forough Farrokhzaad (1935–1967)en Sohrab Sepehri (1928–1980). Met zijn politieke en sociale uitgangspunten heeft Shamlu een heel eigen stem ontwikkeld. Het dagelijks leven was voor hem het uitgangspunt. Hij stelde de dagelijkse problemen van de gewone burger in zijn werk centraal. Doordat hij én op eigenzinnige wijze gebruikmaakt van de klassieke poëtische taal én van volkse elementen als folklore én van modernistische elementen uit de Europese literatuur, schreef hij een zeer karakteristieke poëzie. Ze is een lyrisch document van de complexe politieke en sociale situatie. En ze doet dat in een wisselbad van grote, pathetische gebaren die een niet-Iraanse lezer soms vreemd zijn, en breekbare intimiteit. Het een en het ander kan plaats krijgen in hetzelfde gedicht. In mijn keuze uit zijn werk heb ik beide kanten van Shamlu’s werk, het intieme en het grote willen laten zien.

Ik stip enkele elementen van het werk van Shamlu aan om het reliëf te geven. Hij maakt vooral in titels regelmatig gebruik van het bijvoeglijk naamwoord ‘nachtelijk’ (Shabaneh شبانه ). Ik heb het vertaald als nocturne. Shamlu was bekend met de nocturnes van Chopin en Satie. Hij vond de piano het meest geschikte instrument voor de muzikale vertolking van zijn poëzie. De romerige en romantische klank paste zijns inziens het beste bij de toon van zijn gedichten. De muzikale kant was belangrijk voor hem. Toen hij jong was wilde hij muzikant worden. Zoals voor veel moderne dichters staat voor hem de poëzie op de ladder van de kunsten één tree lager dan de muziek. Daarom probeerde hij in zijn poëzie ook om de muziek te benaderen. Ondanks dat was de inhoud belangrijk voor hem. Zijn positiebepaling in de politieke verhoudingen is op vele manieren in zijn metaforen terug te vinden. Hij gebruikt een aantal vaak terugkerende woorden die zijn wanhoop uitdrukken, zoals winter, duisternis, dood, zwijgen, angst en schemering, schuilen en vermoeidheid. De hoop op een betere toekomst gaf hij weer met woorden zoals nieuw, lente, ’s ochtends, morgen, groen, zonsopgang, hoop en wit. Het gevecht voor de vrijheid werd gesymboliseerd door hanengekraai, dolk, vuur, gevangenis, epos en de weg.
Het gedicht ‘In deze doodlopende steeg’ is een goed voorbeeld van zijn politieke stellingname. Hij schreef het na de stichting van de Islamitische Republiek in 1979. De revolutie tegen het dictatoriale bewind van de sjah werd gedragen door een coalitie van tegengestelde krachten.  De theocratische wending in de lange maatschappelijke discussie over de overgang van traditie naar moderniteit vond Shamlu geen keer ten goede. Het gedicht verwoordt op schrijnende wijze hoe het intieme leven van mensen onder druk komt te staan: ‘Ze ruiken aan je mond / of je soms gezegd hebt dat je van me houdt / ze ruiken aan je hart // Het zijn vreemde tijden liefste.’

Een van Shamlu’s belangrijkste teksten is geen lyrisch gedicht. Zijn ‘Toen de aarde sprak’ kunnen we eerder rekenen tot het prozagedicht, een genre dat door Baudelaire en Rimbaud belangrijk is geworden. ‘Toen de aarde sprak’ is zo interessant omdat deze politieke dichter daarin het begrip rechtvaardigheid ter discussie stelt.
‘Toen de aarde sprak’ is een aanklacht tegen de manier waarop islam, christendom en jodendom dit begrip in hun religie hanteren. Shamlu kritiseert de religie en hij doet dat in de taal van de religies. Het prozagedicht bevat in stijl en beeldgebruik vele  reminiscenties aan torah, bijbel en koran. Het centrale beeld uit het gedicht verwijst naar het middel eeuwse beeldhouwwerk van ‘Christus op de Koude Steen’. Christus zit op een gelaagde afgewerkte rotspartij. Zijn linkervoet is iets vooruitgeschoven.
Met zijn rechterhand ondersteunt hij zijn naar links neigende hoofd en met de linkerhand bedekt hij zijn geslachtsdelen. Op zijn hoofd draagt hij de doornenkroon. Zijn breed, rechthoekig gelaat heeft een peinzende, melancholieke uitdrukking. Christus is beroofd van zijn kleding en vol schaamtegevoelens over zijn naaktheid is hij overgeleverd aan wind en kou.

Met die naaktheid verwijst het beeld naar Adam, de eerste mens wiens zonde hij door zijn lijden verzoent.
Op nog een andere manier is Shamlu’s tekst verbonden met de Europese beeldtraditie. Regelmatig reisde de dichter naar Frankrijk. Daar raakte hij onder de indruk van het werk van Auguste Rodin. In het beeld van ‘Christus op de Koude Steen’ laat de dichter bewust dat van ‘De Denker’ van Rodin doorschemeren. Dat beeld is op zijn beurt geïnspireerd op de Divina Comedia van Dante en suggereert de poort van de Hel. In het samenstellen van al deze beelden in zijn prozagedicht laat Shamlu zien hoe de mens de aarde door de eeuwen heen heeft uitgeput. Het beroep op rechtvaardigheid dat de drie monotheïstische religies in het centrum van hun leer hebben gesteld, heeft in de geschiedenis geleid tot broedermoord en zelfrechtvaardiging. Shamlu stelt daar ‘liefde’ tegenover. Dat is voor hem een bewuste keuze: naast zijn vele vertalingen uit de moderne Europese poëzie vertaalde hij immers ook het Hooglied. Elementen daaruit zijn in heel wat van zijn eigen gedichten terug te vinden.

Ook de koran is voor Shamlu een klankbord. Zo verwijst bijvoorbeeld het hier opgenomen ‘Ontheemden’ naar soera 7 (al-A’raf), vers 143. Mozes en Aaron ondergaan samen op een berg de openbaring van Allah. De berg breekt in stukken door de echo van Allah’s stem en Mozes valt bewusteloos neer. Shamlu vergelijkt Mozes met de balling die noodgedwongen in een isolement leeft en niet langer verbonden is met de Iraanse samenleving.
Hij zou de stem van deze mens de kracht willen geven om bergen te doen scheuren. De stemmen van de mensen klinken echter niet samen maar iedereen blijft geïsoleerd, daarom is zijn stem niet krachtig maar zwak. Niet de berg, maar de mens vervalt tot gruis. ‘Terwijl we op een antwoord wachten/ Draaien we nerveus om elkaar heen./ De inslag van zijn echo/ Zou ons vergruizen/ als een berg.’

Shamlu’s poëzie draagt de sporen van de bloedige geschiedenis van het Iraanse volk in zich. Zijn woord beschouwt hij als het gevecht van de mens tegen een ondraaglijk bestaan. In een interview zei hij: ‘Mijn werk is mijn autobiografie. Ik geloof niet dat poëzie een impressie is van het leven, poëzie is het leven zelf. Het is heel simpel, de basis van mijn poëzie is de octopus van angst, van onrecht, die als in een droom voor mijn ogen verschijnt. […] De aarde is een smerig, alledaags oord waar engelen en misdadigers dezelfde pijn lijden. De gemeenste pooiers, met hun beangstigende trots, komen aan de macht. Wreed en afschrikwekkend moet hij zijn, de mens die ’s ochtends de deur uitgaat voor een stuk brood. Anders scheuren de anderen hem aan stukken als hongerige wolven.
[…] Mijn dagen en nachten zijn vol aangrijpende gebeurtenissen, nachtmerries en angsten. Elke keer als de telefoon rinkelt, of als er op de deur wordt geklopt, staat het koude zweet op mijn voorhoofd. De beste dagen van mijn leven heb ik in de hoeken van de gevangenis gesleten, of tegenover een justitie met in de ene hand een zwaard en in de andere een weegschaal met één schaal. Ze klagen je aan en wegen dat af tegen de hoeveelheid goud die je kunt betalen. […] En deze gevangenissen, gevangenissen en  gevangenissen waren de karige beloning voor mijn liefde en eer. Ik deed er boete voor mijn leven met degenen van wie ik hield, met wie ik herinneringen deelde. Aan hen heb ik veel van mijn gedichten opgedragen. […] Ik heb de poëzie gevonden. De helderheid daarvan wil ik niet laten vertroebelen door mij te houden aan de richtlijnen van de poëtische aristocratie. De kruik mag dan duur zijn, maar mijn dorst kan ik slechts met water lessen. Wie alleen aan de ornamenten van de kruik denkt, heeft geen dorst: of hij is een kruikenverkoper, of hij imiteert de dorstigen. Ik baad liever in heldere bronnen dan in baden van de aristocratie, met een porseleinen badkuip en een zilveren douchekop.’ Met die opmerking over de ‘poëtische aristocratie’ verwijst Shamlu naar de traditionele positie van de poëzie. De poëzie hoorde in Iran tot de gevestigde orde en was verbonden met het koningshuis. Hij weigerde een hofdichter te zijn. Hij wilde met zijn poëzie het volk vertegenwoordigen.

Hij gaf zo een literaire identiteit aan de linkse sociale beweging in Iran. Zowel mensen van de generatie van voor de revolutie als mensen van de generatie daarna zijn er via zijn werk mee in aanraking gekomen. In zijn engagement zijn leven en werk sterk verweven. De mythische gestalte van zijn poëzie is een gestalte van het leven zelf. Wat Shamlu zegt over het hier opgenomen ‘Over je ooms’ spreekt wat dat betreft boekdelen: ‘In dit gedicht spreek ik tot mijn zoon, die destijds acht jaar oud was. In die tijd werden diverse leden van de oppositie vermoord. Anderen kwamen in de gevangenis. Morteza en Keywan waren mijn celgenoten en met Morteza was ik goed bevriend. Hij was een begaafd, creatief mens. Hij was zeer gevoelig voor kunst. Zijn dood heb ik nooit achter mij kunnen laten. Zelfs nu ik dit schrijf in de zomer van 1978, 35 jaar later, voel ik nog altijd een diep verdriet in mijn hart en lijkt het alsof ik het nieuws van zijn dood net heb gehoord.’

In 1988 werd in West-Duitsland een schrijverscongres gehouden met als thema ‘De wereld, onze wereld’. De lotgevallen van Shamlu rond dat congres zijn tekenend voor de tweeslachtige en veranderlijke verhouding van West-Europa met de Islamitische Revolutie door de jaren heen. De organisatie had hem uitgenodigd om te spreken. Meer dan tweeduizend Iraniërs in ballingschap waren gekomen om naar hem te luisteren. Daarop verbood de toenmalige regering-Kohl hem om op het congres te spreken. Shamlu week uit naar de universiteit van Giessen. Daar sprak hij de verzamelde Iraniërs toe: ‘Ik was van plan een lezing te houden over jullie, maar nu mij dat verboden is zal ik wat ik hun wilde zeggen aan jullie zelf vertellen.’

Zijn verhaal laat zich lezen als zijn politieke beginselverklaring. De titel alleen al is veelzeggend: ‘Ik ben de pijn van ons allen, schreeuw mij uit!’ De ‘ik’ in de poëzie van Shamlu is niet alleen zijn individuele ik. Hij wil stem geven aan wie geen stem heeft. Hij was naar Duitsland gehaald als stem uit de zogeheten Derde Wereld. Hij nam stelling tegen deze geografische aanduiding. Voor hem horen de daklozen in New York evengoed tot die Derde Wereld. In de loop van de jaren verbond Shamlu zijn links gekleurde idealisme steeds meer met een ander thema. Ik wees daar al op in verband met het prozagedicht ‘Toen de aarde sprak’. Rechtvaardigheid alleen was hem niet genoeg. Rechtvaardigheid alleen was voor hem al te zeer een rechtvaardiging van onrecht geworden. Hij vestigde zijn hoop op de liefde. Liefde is voor hem een woord met een complexe betekenis. Intelligentie hoort daarbij, wijsheid, op de toekomst gericht zijn, maar ook het genot van het dagelijkse leven en de erotiek, van het minnen en bemind worden. Zo keerde in de gestalte van Shamlu’s moderne poëzie toch weer een belangrijk aspect terug van de klassieke Iraanse poëzie, zoals die van de ook in het Westen bekende dichters Hafez (1315–1390) en Rumi (1207– 1273). Deze mystieke dichters schreven ook in ongemeen vrije en lichamelijke bewoordingen over de liefde. Vanwege die liefdevolle vrijheid heeft de religieuze orthodoxie hen en mystieke dichters als zij altijd gewantrouwd en soms vervolgd.

Shamlu’s belangrijkste liefdesgedicht is ‘Aida in de spiegel’. In zestien strofen vertelt de dichter op indringende en meeslepende wijze hoe zijn leven verandert wanneer Aida en hij elkaar ontmoeten. Hier en in zijn andere gedichten geeft hij haar een mythische gestalte. Hij plaatst haar tegenover de Zeven Zusters, de Iraanse benaming voor het sterrenbeeld van de Plejaden. Zo maakt hij haar tot de personificatie van de liefde. Voor zijn lezers is het daarom niet van belang om te weten dat zij in het dagelijks leven zijn vrouw was.
‘Aida in de spiegel’ stamt uit de tijd dat Shamlu met de werkelijke Aida zijn leven ging delen. Zij, en daarmee de liefde, neemt vanaf die tijd een steeds belangrijker plaats in zijn poëzie in. Zo vond hij een alternatief voor zijn desillussies. In zijn eerdere werk roept hij de mensen op te vechten voor vrijheid, te strijden voor rechtvaardigheid. Nu spreekt hij over liefde als dé grote kracht die het leven – en de samenleving – kan veranderen. Toch is het Shamlu nooit gelukt om zich afzijdig te houden van de politieke strijd. Steeds weer vloeit zijn maatschappelijke gedrevenheid zijn gedichten binnen. Het  bloed kruipt nu eenmaal waar het niet gaan kan. Of zoals hij zelf zegt: ‘Ik heb liever dat het gedicht een trompet is dan een slaapliedje.’

Shamlu’s gedichten leven nog steeds in Iran. Vrijzinnig liberale jongeren komen regelmatig bij zijn graf bijeen. Ze zitten rond de onopvallende steen met een van zijn dichtbundels in de hand. Ze lezen elkaar voor en praten over wat ze gelezen hebben. Shamlu’s graf bevindt zich op een begraafplaats in Karaj in een speciaal gedeelte voor intellectuelen. Naast zijn graf is dat van de grote schrij ver Hushang Golshiri, die net als Shamlu een natuurlijke dood stierf. Daarnaast liggen de stenen van Mohammad Mokhtari en Jafer Pouyandeh, schrijvers die enkele jaren geleden zijn vermoord. Het is een bedevaartsoord geworden voor vele Iraanse jongeren.
Op dezelfde begraafplaats liggen ook de gesneuvelde militairen van de oorlog met Irak (1980–1988) en er is een schrijn van een heilige die bezocht wordt door gelovigen. De schrille contrasten in de onvolmaakte overgang van traditie naar moderniteit, die in het werk van Shamlu centraal staan, zijn niet alleen te zien in zijn werk, maar ook hier.
Shamlu blijft voor velen de man die in zijn gedichten het onbenoembare van het menselijke gevoelsleven woorden geeft; degene die je meeneemt op de ontdekkingsreis naar je eigen innerlijk.

´Nawoord uit het boek Opstandige dauw´

Sharog Heshmat Manesh

Ahmad Shamlu
Opstandige dauw
Gedichten. Vertaald uit het Perzisch door
Sharog Heshmat Manesh
Amsterdam: Wereldbibliotheek, 2010
190 pag. € 17,50

ISBN10       902842329X
ISBN13       9789028423299

This entry was posted in Books, Middle East. Bookmark the permalink.

Comments are closed.