Mirjam Shatanawi, Islam in beeld. Kunst en cultuur van moslims wereldwijd

Recensent: Door: Erwin Jans

Achter de wat saaie titel Islam in beeld. Kunst en cultuur van moslims wereldwijd gaat een scherpe en intelligente analyse schuil. De auteur, Mirjam Shatanawi, is werkzaam als conservator Midden-Oosten en Noord-Afrika bij het Tropenmuseum in Amsterdam. Het Tropenmuseum, dat aanvankelijk werd opgericht als koloniaal museum, bezit een uitgebreide verzameling voorwerpen afkomstig uit acht verschillende landen en regio’s waar de bevolking geheel of gedeeltelijk islamitisch is.  Twee landen zijn nauw verbonden met het Nederlandse koloniale verleden: Indonesië en Suriname; twee landen zijn gelieerd aan de arbeidsmigratie: Marokko en Turkije; daarnaast komen de Arabische wereld, West-Afrika, Iran en India aan bod.
Een deel van de behandelde voorwerpen is verbonden met het islamitisch geloof. Shatanawi kijkt naar die collectie vanuit een dubbel perspectief.
Het is precies deze dubbele blik die haar boek erg eigentijds maakt. Aan de hand van een honderdtal voorwerpen uit die collectie schetst zij immers niet alleen een beeld van de grote diversiteit van wat er onder het woord ‘islamitische kunst en cultuur’ valt, maar analyseert ze ook het ontstaan van de collectie gedurende de geschiedenis van het museum. Ze analyseert de voorwerpen dus op twee niveaus: op een eerste niveau onderzoekt Shatanawi de kunst- en cultuurvoorwerpen uit verschillende regio’s als uitdrukking van de islamitische geloofsbeleving; op een tweede niveau onderzoekt ze de manier waarop de Nederlandse verzamelaars en museummedewerkers destijds keken naar de voorwerpen en naar de islam in de regio’s waar ze die verzamelden. Daardoor laat Shatanawi de voorwerpen niet alleen iets vertellen over de verschillende manieren waarop moslims in kunst en cultuur uitdrukking geven aan hun geloof, maar ze laat ze ook iets vertellen over de Nederlandse verzamelaars die ze hebben gecollectioneerd. Zo wordt in feite het museum zelf zowel tentoongesteld als aan een kritische blik onderworpen.

In het eerste hoofdstuk, dat meer theoretisch van aard is, concentreert Shatanawi zich op een aantal spanningen die bij het definiëren van de kernbegrippen: ‘islam’, ‘kunst’ en ‘ cultuur’ en combinaties daarvan naar voren komen. Een van de uitgangspunten van het boek is de grote geografische verspreiding van de islam en de lokale culturele inplanting ervan. In de loop der eeuwen hebben onderzoekers geprobeerd die diversiteit onder controle te krijgen, onder andere door onderscheid te maken tussen een ‘officiële’ en een ‘volks’islam, of tussen een ‘traditionele’ en een ‘moderne’ islam. Het onderscheid tussen de officiële (stedelijke, geleerde, theologische, zuivere) islam en de (naïeve, landelijke, bijgelovige, vitale) volksislam liep – en loopt nog steeds – parallel aan de werkverdeling tussen arabisten en islamologen die teksten analyseren en antropologen die veldwerk doen. Dat onderscheid bevestigde eveneens de disciplinaire verdeling tussen kunstcollecties enerzijds en volkenkundige collecties anderzijds, en daarnaast ontwikkelde zich een hele discussie rond de islam als ‘religie’ en de islam als ‘cultuur.’

De scheidslijn is evenwel moeilijk te trekken en ook de omschrijving ‘islamitische kunst’ is meer verwarrend dan verhelderend: de term is te breed omdat hij niet alleen verwijst naar kunst die vervaardigd is om in een religieuze context te worden gebruikt, maar ook naar kunst die gemaakt is voor en door mensen die in moslimregio’s wonen. Zo valt christelijke kunst in het Ottomaanse rijk wel in deze categorie, terwijl dat met voorwerpen uit Marokko, Mali of Indonesië meestal niet het geval is. Dit laatste heeft veel, zoniet alles, te maken met het heartland-paradigma waarin het Midden-Oosten wordt beschouwd als de plaats van de ware islamcultuur, waarbij de periferie wordt afgedaan als een meer oppervlakkige verwerking van de islam.

Shatanawi verwerpt de meeste van deze van bovenaf opgelegde termen en  onderscheiden. In plaats daarvan verwijst ze naar de Egyptische filosoof Hassan Hanafi die de metafoor van de supermarkt gebruikt om de flexibiliteit van de koraninterpretatie aan te duiden; de Egyptische antropoloog Abdul Hamid El-Zein die het woord islam alleen in het meervoud gebruikt; de Amerikaanse antropoloog Michael Gilsenan die islam omschrijft als “een woord dat uiteenlopende verbanden tussen praktijken, representaties, symboliek, concepten en wereldbeelden binnen een samenleving en tussen samenlevingen onderling aanduidt” en tenslotte naar de Amerikaanse antropoloog Talal Asad die, zich baserend op Foucault, de islam omschrijft als ‘een discursieve traditie.’ Het is duidelijk dat Shatanawi zoekt naar een terminologie die zoveel mogelijk recht doet aan de veelzijdigheid en veelvormigheid die achter het woord islam  schuil gaat. Zelfs de Koran en de hadiths als ultieme basis van de islamitische traditie, zoals Talal Asad die nog aanvaardt, geeft zij op: “De voorbeelden van dit boek laten zien dat moslims putten uit een veel gevarieerder palet aan bronnen.”

In haar keuze van honderd voorwerpen beperkt Shatanawi zich tot religieuze voorwerpen. Of een voorwerp religieus is of niet wordt in de eerste plaats bepaald door de gebruiker, maar vaak is dat niet door de verzamelaars opgetekend, dus aangezien er altijd een grijze zone bestaat tussen religie en cultuur, gaat het dikwijls om interpretatie achteraf.

Dat bewuste of onbewuste interpretatie een belangrijke rol speelt bij het verzamelen van objecten blijkt uit het tweede hoofdstuk van het boek, waarin Shatanawi een geschiedenis schrijft van het Tropenmuseum van 1864 tot nu vanuit het perspectief van het verzamelen van de islamitische voorwerpen in de collectie. Dat collectioneren gebeurt uiteraard niet in een neutrale ruimte op basis van zuiver wetenschappelijke of artistieke criteria. Zoals iedere culturele praktijk is ook de museale praktijk is op een complexe manier ingebed in de sociaal-politieke realiteit van de samenleving waarin hij bestaat. Shatanawi’s boek is een kritische kijk op het ontstaan, het functioneren en de ontwikkeling van het volkenkundig museum in de verschillende fases van zijn bestaan, van koloniaal museum tot een museum dat een stem wil hebben in het multiculturele debat dat in Nederland in alle hevigheid wordt gevoerd. Die fases zijn de grote ideologische kaders waarbinnen het verzamelen en interpreteren van voorwerpen gebeurt: welke voorwerpen werden verzameld? Waar werden ze verzameld? Werden ze cultureel of religieus geduid? Et cetera.

De vele veranderingen in perceptie die samenhangen met de grote politieke en maatschappelijke verschuivingen sinds het midden van de negentiende eeuw hadden en hebben hun invloed op de manier waarop een museum verzamelt, aankoopt, interpreteert en exposeert. Dat geldt ook voor het Tropenmuseum dat in 1864 als Koloniaal Museum werd opgericht: “Moslims genoten de aandacht aanvankelijk als ingezetenen van de Nederlandse koloniën, vervolgens als inwoners van de tropen, later van de derde wereld en tenslotte als vertegenwoordigers van niet-westerse culturen in en buiten Nederland.” Tot aan het einde van de Tweede Wereldoorlog werd de islam voor een groot deel genegeerd, in lijn met de koloniale culturele politiek in Nederlands-Indië: Nederland had immers een beschavingsmissie: “De vitrines toonden modellen van Indonesische vaartuigen en woningen, bamboe en rotan, houtsoorten, aardewerk uit Suriname, plantaardige producten, mineralen, vezelstoffen, harsen, vruchten en voedingsmiddelen.”

Producten stonden centraal, niet de culturele achtergronden. Het einde van de koloniale periode bracht uiteraard een aardverschuiving met zich mee voor museum, dat inmiddels Indisch Museum heette en dat zich opnieuw moest uitvinden om in de nieuwe context met een nieuwe functie te kunnen voortbestaan.  In 1950 werd het omgedoopt tot Tropenmuseum. Vanaf dat moment werd gestreefd naar een politiek correctere aankoop- en presentatiepolitiek, al bleven de koloniale imperatieven doorwerken. De focus verbreedde zich naar de gehele tropische en subtropische wereld en ook de islam kwam nu uitgebreid in beeld. Shatanawi wijst erop dat deze, op het eerste gezicht intellectuele en culturele keuzes ook beïnvloed werden door de economische en politieke belangen van Nederland in de regio (de stichting van Israël en het toenemende belang van de olie uit het Midden-Oosten).

Vanaf 1954 werd een aparte tentoonstellingsruimte aan de islam gewijd. Vanaf de jaren zestig werd, onder invloed van denkbeelden rond ontwikkelingssamenwerking, de islam meer en meer gezien als een conservatieve kracht in het moderniseringsproces waar de Derde Wereldlanden op dat moment aan begonnen. Die ‘moderniseringstheorie’ beïnvloedde decennialang de programmering van het museum en was verantwoordelijk voor de herinrichting van het museum in 1979: “Niet langer stonden natuurproducten, kunstnijverheid en handelswaar centraal, maar actuele kwesties als armoedebestrijding, de positie van de vrouw en tropische gezondheidszorg.” De nadruk kwam te liggen op het dagelijkse leven met een grote aandacht voor een gedetailleerde reconstructie van de materiële omgeving. Dat was een revolutionaire techniek, die een tijdlang veel publiek genereerde. Met objecten, beeldprojecties, geluiden en zelfs geuren werd een hyperrealistisch beeld gecreëerd als alternatief voor de exotische stereotypering van de primitieve volkeren: “Tegelijkertijd kwamen, zij het onbedoeld, door de focus op armoede en overleven weer andere stereotypen het museum binnen.”

Met onder meer de Iraanse Revolutie, het islamitisch fundamentalisme, de Rushdie-affaire en de burgeroorlog in Algerije werd de islam een mondiale politieke en culturele kracht om rekening mee te houden. Het beeld van de islam als een bedreiging was geboren, waardoor ook de multiculturele samenleving hoog op de maatschappelijke en politieke agenda kwam te staan. Het laatste decennium doet het Tropenmuseum pogingen om een tegenwicht te bieden aan de zeer negatieve beeldvorming rond de islam en positieve identificatiepunten te bieden voor de emancipatie van moslimgemeenschappen in Nederland. Shatanawi slaagt erin om de praktijk van het verzamelen en het museale beleid – dat zijzelf sinds 2004 mee bepaalt – te analyseren als een snijpunt van de persoonlijke voorkeuren van de opeenvolgende directeurs en grote maatschappelijke en ideologische verschuivingen en bewuste reacties daarop.

Het overgrote deel van het boek bestaat uit de presentatie en duiding van voorwerpen uit de acht verschillende regio’s. De talrijke, grote, kleurrijke en kwaliteitsvolle afbeeldingen maken van het boek tegelijk ook de tentoonstelling. De voorwerpen zijn zeer divers, van een pagina uit een Egyptische bijbel uit de veertiende eeuw in het Koptisch en Arabisch tot een besnijdeniskostuum van een Javaans-Surinaamse jongen, van een Marokkaanse leeswijzer voor de Koran tot een kitscherige Iraanse poster van de Profeet Mohammed uit de jaren negentig, van een Osmaans grafkleed tot kleurrijke Indische afbeeldingen van Buraq, het mythische paard van de Profeet. Mirjam Shatanawi contextualiseert de voorwerpen, niet alleen in hun culturele en geografische omgeving, maar ook binnen de collectie. Bij iedere regio stelt ze zich expliciet de vraag: wat was de wijze van verzamelen van het Tropenmuseum over de islam in dit land of in dat gebied? Op die manier krijgt de lezer op een overzichtelijke en gebalde manier niet alleen informatie over de voorwerpen en over de bredere religieuze, rituele of culturele context waarvan ze deel uitmaken, maar ook hoe er door het Tropenmuseum naar gekeken werd. Het boek zegt in dat opzicht evenveel over de Nederlandse samenleving als over de landen waar de voorwerpen vandaan komen.

Mirjam Shatanawi stelt heel wat pregnante vragen bij termen als ‘islamitisch’; ‘kunst’ en ‘cultuur’ en bij het verzamelen en exposeren ervan,  zonder daar altijd duidelijke antwoorden op te kunnen of te willen geven. Het belangrijkste is dat de vragen een nieuwe discussieruimte openen, een aantal vastgeroeste betekenissen weer vlot maken, en doen nadenken over bewuste en onbewuste beeldvorming en over de ideologieën die onze manier van kijken bepalen. Wie dit soort studies ernstig neemt, kan het woord ‘islam’ niet meer gebruiken op de normatieve en eenduidige manier waarop dat op dit ogenblik in het Nederlandse islamdebat nog steeds gebeurt.

Erwin Jans

Mirjam Shatanawi, Islam in beeld. Kunst en cultuur van moslims wereldwijd, SUN, 2009
ISBN 978 90 8506 627 9

This entry was posted in Books, Middle East. Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

You may use these HTML tags and attributes: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>