Being Young and Muslim: New Cultural Politics in the Global South and North

Linda Herrera en Asef Bayat, (red.)

Waarom hebben jullie dit boek geschreven?

We maakten allebei, vanuit verschillende invalshoeken, al een paar jaar een studie van jongeren in de context van een moslimmeerderheid. Linda hield zich al bijna twintig jaar bezig met de jeugd in relatie tot onderwijscultuur en -beleid. In de tijd dat ze lesgaf aan het International Institute of Social Studies in Den Haag (de master Children and Youth Studies, 2005-2010), verschoof haar onderzoeksgebied zich naar jongeren en internationale ontwikkeling.

Asef raakte eind jaren negentig geïnteresseerd in jongeren en bestudeerde het jongerenbeleid in Iran binnen de context van de hervormingsbeweging. Die interesse breidde zich uit tot onderzoek naar het de dagelijkse  omstandigheden van de jeugd in Egypte. Nadat Asef directeur werd van het International Institute for Islamstudies in the Modern World (ISIM), zette hij een programma op over het culturele gedrag van moslimjongeren.

Bij ons allebei verbreedde ons perspectief zich toen we vanuit het Midden-Oosten naar Nederland verhuisden. We pikten allebei spoedig het “probleem-moslimjongeren” op, zoals dat in de Europese context genoemd, waarbij moslimjongeren op een hoogst ideologische, vaak racistische en geslachtsbepaalde manier als maatschappelijk probleem worden neergezet. In de nasleep van niet alleen 11 september, maar ook de treinaanslagen in Madrid van 11 maart 2004 en de aanslagen op het Londense openbaar vervoer op 21 juli 2005 worden jonge moslimmannen, inclusief bekeerlingen, in het publieke debat vaak afgeschilderd als gevaarlijke veiligheidsrisico’s en neigend naar extremisme.

Jongeren van Turkse of Marokkaanse komaf worden daarnaast ook beschouwd als economisch risico: ze kosten de maatschappij geld. Jonge moslimvrouwen, zeker degenen die een hoofddoek dragen en kiezen voor een vroom leven, worden gezien als een bedreiging van de culturele tradities en normen en waarden van de liberale, Europese gemeenschappen. We wilden begrijpen hoe het is om binnen de politiek-economische context en structuur waarin deze jonge mensen leven een jonge moslim te zijn, en hoe ze binnen deze structuren een positie verwerven, en we wilden onderzoeken hoe ze proberen nieuwe ruimte voor zelfexpressie en voor een ander beleid.

Welke specifieke onderwerpen, zaken en literatuur worden behandeld?

In het boek bekijken we welke paden in het huidige, neoliberale post-9/11tijdperk mondialisering bewandelen, in wat voor omstandigheden ze verkeren en welke keuzes ze maken. Onze interesse begon in het Midden-Oosten en Europa, maar breidde zich uit naar Afrika en Azië omdat we zagen hoe moslimjongeren, als mondiale categorie, plotseling op verschillende manieren op het wereldtoneel zijn beland in de context van vragen over veiligheid en extremisme, werk en migratie, rechten, burgerschap en multiculturaliteit.
Het boek is opgedeeld in vijf delen om zo de verschillende dimensies van de culturen en gedragingen van moslimjongeren te kunnen ontdekken: “De verwikkelingen rond afwijkende meningen”; “Levensonderhoud en levensstijl”; “Strijd voor burgerschap”; “Laveren tussen identiteiten” en “Muzikale verwikkelingen”.

De hoofdstukken geven aan dat, terwijl de meerderheid van de jonge moslims veel maatschappelijke, politieke en economische problemen delen, ze daarop opvallend verschillend reageren. Moslimjongeren zijn verre van “uitzonderlijk”; sterker nog, ze hebben net evenveel gemeen met hun generatiegenoten wereldwijd als met andere moslimjongeren.

Hoe verhoudt dit werk zich tot jullie voorgaande onderzoeken en publicaties?
Linda werkte hiervoor vanuit de invalshoek van kritische etnografie van scholing en internationale onderwijsontwikkeling. Ze heeft haar aandacht verlegd van onderwijs naar de jeugd, maar de kritische vragen uit haar eerder onderzoek rond globalisering, burgerschap, macht en rechtvaardigheid zijn nog steeds relevant. Het boek heeft ons ook de mogelijkheid geboden buiten het regionale perspectief van het Midden-Oosten en Noord-Afrika te treden en een meer wereldwijde oriëntatie te vinden.

Asef onderzoekt sinds de jaren tachtig de politiek van verschillende maatschappelijke groepen, te beginnen met de industriële arbeiders tijdens de Iraanse revolutie van 1979. Sinds de jaren negentig houdt hij zich bezig met maatschappelijke bewegingen (zoals islamisme en postislamisme) en “non-bewegingen” (waaronder de stedelijke armen en moslimvrouwen) in het Midden-Oosten. Zich te verdiepen in het maatschappelijke en politieke leven van moslimjongeren is hierop een natuurlijk vervolg.

Wie hopen jullie dat ze het boek zullen lezen en wat voor impact zouden jullie willen dat het heeft?
We hopen dat het wordt gelezen door studenten die geïnteresseerd zijn in door jongeren aangestuurde politieke en culturele bewegingen in het mondiale tijdperk, in generatiegestuurde verandering in een laat-neoliberale periode en in hoe de jeugd zo belangrijk werd bij de huidige Arabische opstanden. Het boek zou ook meer in het algemeen studenten moeten aanspreken in Midden-Oostenstudies, ontwikkelingstudies, sociologie, antropologie, culturele studies, Afrikastudies en jongerenstudies. We hopen ook dat de uitgave beleidsmakers aanspreekt wier werk raakvlakken heeft met en mogelijk van invloed is op de levens van jonge mensen.

Gezien de breedte van het onderwerp ‒ hoe hebben jullie bepaald welke onderwerpen werden behandeld en door welke auteurs?
We wilden geleerden bijeenbrengen van verschillende disciplines en regionale expertise die normaal gesproken niet met elkaar in gesprek gaan. Ons doel was een gemeenschappelijke plek te creëren voor geleerden van verschillende generaties, waar ze met elkaar in debat zouden gaan over bepaalde vragen over het culturele gedrag van jongeren in Noord en Zuid. We vonden het ook belangrijk om auteurs te zoeken die in hun werk direct contact hebben met jonge mensen, zodat zij bij hun empirisch onderzoek ook het leven van jongeren zouden betrekken en zouden luisteren naar wat die jongeren vertellen. De auteurs die hebben bijgedragen komen zowel uit antropologische en sociologische hoek als uit die van mediastudies, studies rond onderwijsbeleid en stedelijk beleid, islamstudies, ontwikkelingstudies en Engelse literatuur, met zeer brede regionale expertise.

Wat zijn jullie andere projecten op dit moment?
Linda schrijft momenteel mee aan een boek dat de snijpunten onderzoekt tussen Arabische jeugd, nieuwe media en revolutie. Ze is ook bezig een breder onderzoeksproject te ontwikkelen over jeugd en burgerschap in het digitale tijdperk. Asef rondt momenteel een boek af over Post-islamisme op Vrije Voeten waarin hij de transformatie van islamitische bewegingen in tien landen met een moslimmeerderheid onderzoekt en waaraan zowel jonge als gevestigde wetenschappers hebben bijgedragen. In de tussentijd is Asef alweer begonnen aan de tweede editie van zijn boek Life as Politics: How Ordinary People Change the Middle East (Het leven als Politiek: Hoe Gewone Mensen het Midden-Oosten Veranderen) (Stanford University Press, 2010) over de huidige Arabische revoluties en de Groen Golf in Iran.

Een passage uit: Jong en Moslim:

Hoofdstuk 1: Inleiding
JONG EN MOSLIM IN NEOLIBERALE TIJDEN
In landen met een islamitische meerderheid is dit moment sprake van een sterke demografische verschuiving, die sterk overhelt naar een jonge populatie en in de maatschappelijke samenstelling van die een opmerkelijke verandering teweegbrengt. Jongeren nemen een complexe, maar centrale positie in genomen in binnen cultuur en politiek van zowel deze samenlevingen als die waarin moslims een grote minderheid vormen.

Door een combinatie van een verschuiving van de publieke moraal in eigen land, het niet-aflatende proces van neoliberale globalisering , de geopolitiek van het neo-imperialisme, de opkomst van een cultuurdebat waarin “de islam” tegenover “het Westen” wordt gezet, ongekende aantallen afgestudeerden in combinatie met een werkloosheidscrisis, ontwikkelen jongerenculturen zich op nieuwe manieren met consequenties van historische betekenis. De wijze waarop jongeren hun interesses, aspiraties en sociaaleconomische kwaliteiten uitdrukken, lijkt nieuw culturele politiek voort te brengen. Met andere woorden, het culturele gedrag van moslimjongeren kan worden opgevat als gelegen in het politieke domein en als een representatie van een nieuwe arena waar de strijd om de macht wordt gevoerd.

Hoewel ze door de machtselite vaak aan hen wordt gerefereerd als degenen die “de toekomst” zullen vormgeven, worden genoemd, worden jongeren ook gevreesd en gestigmatiseerd als “ontregelend” en als geneigd tot radicalisme en afwijkend gedrag. Hoewel vanwege verschil in geslacht, klasse en culturele verschillen een homogene benadering van jongeren onzinnig is, en zelfs de validiteit van “jongeren” als analytische categorie kan worden betwijfeld, geldt tegelijkertijd dat de jongeren onmiskenbaar een bepaalde belangrijke habitus en een zeker historisch bewustzijn delen die zowel door de jongeren zelf, door het politieke etablissement en door de morele autoriteiten worden erkend. Die complexe status van moslimjongere in de huidige neoliberale tijd is wat wij in dit boek willen onderzoeken.

Het doel van deze uitgave is dan ook om kritische vragen te stellen over de culturele gedragingen van moslimjongeren, vanuit het perspectief van de jongeren zelf, vanuit het standpunt van de politieke en morele autoriteiten die het als hun taak zien de jongeren te disciplineren, te controleren en beleid voor hen uit te stippelen, en vanuit de context markt en media waarin jongeren zowel consumenten als producenten zijn. Daarnaast onderzoekt dit boek de snijpunten van het mondiale en het lokale, met bijzondere aandacht voor hoe bepaalde attitudes, culturele gedragingen en neigingen onder jongeren ontstaan en of en hoe die sinds 11 september 2001zijn veranderd. De “constructie” van moslimjongeren is hier een dialectische interactie tussen verschillende krachten en actoren.
[…]
De jeugd zoals die in deze uitgave wordt vertegenwoordigd is grofweg tussen de 15 en 29 jaar oud en geboren tussen 1979 en 1993: de “de hoogst opgeleide generatie in de geschiedenis van de mensheid” (UNDESA 2005: 13). Het hoge opleidingsniveau heeft zich echter niet noodzakelijkerwijs vertaald in betere kansen, een grotere mate van veiligheid of betere mogelijkheden om zich in het levensonderhoud te voorzien. Deze generatie heeft moeten opereren in een economisch bestel van voldragen neoliberalisme, waarin de verzorgingsstaat en openbare voorzieningen werden afgebroken en plaats maakten voor onzekere arbeidsvoorzieningen. Jongeren, met name die uit landen met  lagere en middeninkomens, worden voortdurend geconfronteerd met onzekerheid en met drempels met betrekking tot hun huidige leven en toekomstperspectieven die worden opgeworpen (Herrera 2006).

Zo’n 90 procent van de jongeren wereldwijd woont in het postkoloniale Zuiden in regio’s die in de decennia na WO II en in de aanloop naar nationale onafhankelijkheid van de koloniale overheersing grote veranderingen en politieke omwentelingen hebben doorgemaakt. De jonge, revolutionaire generatie die deelnam aan de antikoloniale, nationalistische bewegingen en die van neutraliteit van de Derde Wereld in de jaren vijftig tot de jaren zeventig, bracht niet alleen het politiek bewustzijn van de macht van collectieve bewegingen om verandering te bewerkstelligen, maar leefde ook in een periode van mondiale revolutie toen verandering niet alleen mogelijk, maar ook onvermijdelijk was.

De jongeren die toen actief deelnamen of de leiding namen in die strijd, nu meer dan een halve eeuw geleden, zijn nu zowel grote staatslieden en deel van het religieuze, zakelijke en overheidsestablishment, alsook de leiders van de oppositiepartijen. Maar of ze nu in de oppositie zitten of lid zijn van de regeringspartijen, e politieke elite staat er niet om bekend om, met uitzondering van het eigen nageslacht, de jongere generatie toe te laten in de wandelgangen van de macht, de mogelijkheden en de privileges. In Egypte, bijvoorbeeld, zoals in vele andere landen op het continent en in de regio, woedt een ware generatiestrijd omdat de huidige “historische” leiders van de jaren vijftig en zestig, nu zelf inmiddels in de zeventig of tachtig, vasthouden aan hun machtsmonopolie.

Deze jongere generatie is opgegroeid na de Koude Oorlog, in een meer éénpolige wereld met de hoogst gemilitariseerde Verenigde Staten aan het hoofd (hoewel de opkomst van concurrerende machten niet kan worden betwist). Tegelijkertijd bood de val van de Berlijnse muur een iconisch beeld van een nieuw tijdperk waarin volgens de “officiële ideologie van de nieuwe wereldorde” (Douzinas 2007: 32) de mensenrechten het morele en politieke kompas zouden worden voor ’s werelds naties en volkeren. De hoop bestond dat een mondiale orde doordrenkt van principes rond rechten,  rechtvaardigheid, democratie, gelijkheid tussen man en vrouw en participatie zich zou verspreiden.

De schoolsystemen waarbinnen deze jongeren wereldwijd zijn opgeleid zijn in ongekende mate hervormd in een richting waarin, in ieder geval op formeel beleidsniveau, zo niet altijd in de praktijk, de rechten van het kind, mondiaal burgerschap en jongerenparticipatie worden voorstaan (Herrera 2008). Waar onderwijsinstellingen een formele, verticale pedagogische ruimte vormen waarin een veranderend bewustzijn over burgerschap en rechten wordt uitgedragen, biedt de opkomende informatie- en communicatietechnologie een meer horizontale pedagogische ruimte. Evenals hun leeftijdsgenoten elders in de wereld zijn moslimjongeren volwassen geworden tijdens zowel een tijd van technologische en communicatierevolutie alsook een levendige periode waarin uitingen van jongerencultuur breed kunnen worden geproduceerd en erin kan worden geparticipeerd. Jongeren met verschillende ideologische, maatschappelijke, politieke en culturele overtuigingen nemen, zowel als producenten als als consumenten van virtuele politieke en maatschappelijke platforms, muziek- en modetrends gezamenlijk deel aan mondiale jeugdculturen.

Het World Wide Web, dat in de jaren negentig nog slechts een beperkt bereik had, is nu alomtegenwoordig en heeft de wijze van communiceren, organiseren en informeren getransformeerd. Mondiale jeugdculturen breiden zich uit en jongeren hebben onderling contact door te bloggen, video’s te delen via YouTube (ontstaan in 2005) en sociale netwerken als Facebook (2004), My Space (2002) en Twitter (2006). Deze generatie, de “e-generatie” of “internetgeneratie” “gaat interactiever te werk, dus minder hiërarchisch, en heeft een groter bereik voor wederzijdse beïnvloeding”. (Edmunds en Turner 2005: 569). Op massale, nog steeds toenemende schaal gebruiken jongeren nieuwe media als een middel voor interactie met gelijken, ontspanning, consumptie, het genereren en consumeren van informatie en een verscheidenheid aan directe en indirecte politieke acties. Die verschillende gebruiksdoelen sluiten elkaar niet uit.

Voor zover ze volwassen zijn geworden in een gemeenschappelijke “wereldtijd” en deelnemen aan de culturele politiek van een wereldwijde jeugdcultuur, maken moslimjongeren deel uit van een mondiale generatie. Maar na noodlottige gebeurtenissen rondom de terroristische aanslagen van 11 september 2001 en tijdens de langslepende geopolitieke conflicten in het islamitische Midden-Oosten, Azië en Afrika, het debat en de beleidswijzigingen in Europa en Noord-Amerika rond islam, integratie en multiculturaliteit in combinatie met marginalisering en crises in levensonderhoud voor moslimjongeren in zowel het Noorden als het Zuiden, werden moslimjongeren in een aantal belangrijke opzichten weggezet als subgroep binnen hun generatie.

De moslimjongeren van vandaag strijden om hun jeugd te behouden, eisen hun rechten op en veranderen in het zeer beladen wereldwijde tijdsgewricht na 9/1,1 waarin ze intensief door de media worden gevolgd, ze in de gaten worden gehouden en men door middel van een verscheidenheid aan politieke interventies hen tracht te beperken, te beïnvloeden, een bepaalde richting op te sturen en een sterke islamitische identiteit in hen te cultiveren. Deze jongeren verschillen echter onderling radicaal van mening over hoe hun sentiment om te zetten in actie en hoe te reageren op hun status van “ondergeschiktheid”.

Onder de jeugd wereldwijd, maar meer uitgesproken onder de moslimjeugd, lijkt er sprake van een toenemend generatiebewustzijn rond als maatschappelijke rechtvaardigheid en mensenrechten, dat gepaard gaat met diepe morele verontwaardiging over de schending van fundamentele rechten en dat zich deels uitbreidt via de nieuwe media. Jonge mensen bloggen, zingen protesteren, ageren, sluiten zich aan bij formele en informele organisaties en vinden legio andere manieren om hun rechten op te eisen en op te komen voor gerechtigheid, levensonderhoud en levensstijl.

[Uit Linda Herrera en Asef Bayat (red), Being Young and Muslim: New Cultural Politics in the Global South and North. (Jong en Moslim: Nieuwe Culturele Politiek in het Zuiden en het Noorden) @ 2010, Oxford University Press, Inc. Het fragment is opgenomen met toestemming van de auteur. Klik hier voor meer informatie of de aanschaf van dit boek.]
Eerder verschenen op Jadaliyya Ezine

This entry was posted in Books, Middle East. Bookmark the permalink.

Comments are closed.