Cultuur volgens Roger Scruton

De Britse filosoof Roger Scruton is een van de bekendste en invloedrijkste hedendaagse conservatieve cultuurcritici. Hij publiceert veel en over een breed veld van onderwerpen zoals filosofie, esthetica, cultuur, muziek, onderwijs, de vossenjacht,  globalisering, terrorisme en islam. Met zijn opiniestukken en columns is hij prominent aanwezig in de media.

Hij schuwt de provocatie niet, integendeel zelfs: in 2006 ging hij in op het verzoek van het extreem-rechtste Vlaams Belang in Antwerpen om een lezing te geven, terwijl hij maar al te goed wist dat de partij net voordien veroordeeld was voor racisme en xenofobie.

”Scruton heeft niet alleen een heldere en klare stijl, hij vertegenwoordigt en formuleert daarnaast ook een duidelijke (conservatieve) opvatting rond een aantal belangrijke actuele politieke en culturele kwesties, en precies daarom is zijn werk ook de juiste slijpsteen voor andere (progressieve? linkse?) opvattingen over cultuur.”

 

Scrutons werk is binnen de huidige maatschappelijke discussie over het wel en wee van de multiculturele samenleving om meer dan één reden van belang.  Scruton heeft niet alleen een heldere en klare stijl, hij vertegenwoordigt en formuleert daarnaast ook een duidelijke (conservatieve) opvatting rond een aantal belangrijke actuele politieke en culturele kwesties, en precies daarom is zijn werk ook de juiste slijpsteen voor andere (progressieve? linkse?) opvattingen over cultuur.

Onlangs gaf Scruton aan de Lessius Hogeschool in Antwerpen opnieuw een lezing, ditmaal over onderwijs. Dat Scruton duidelijke ideeën heeft over educatie  ligt voor de hand: het is immers het klassieke medium bij uitstek voor de overdracht van traditie en cultuur, twee centrale begrippen in de filosofie van Scruton. Zijn lezing Cultuur overdragen(2010) werd gepubliceerd in de essaybundel Wat heet beschaving?, waarin ook een aantal (kritische) commentaren zijn opgenomen.

Scruton situeert zich in de traditie van de grote conservatieve cultuurkritiek van denkers als Matthew Arnold, Oswald Spengler en T.S.Eliot, naar wie hij in zijn essay Waarom cultuur belangrijk is (2007) expliciet verwijst. De Nederlandse titel van dat essay klinkt veel minder alarmerend dan de oorspronkelijke Engelse titel: Culture Counts. Faith and Feeling in a World Besieged. De originele titel is om meer dan één reden interessanter dan de vertaling. Eerst en vooral omwille van zijn retorische kracht: een sterke en allitererende boventitel, Culture Counts, en een al even poëtische als allitererende ondertitel: Faith and Feeling in a World Besieged.

Als er zoveel retoriek wordt ingezet, dan staat er iets belangrijks op het spel. Dat geldt in elk geval voor Scruton: de inzet is niets meer of minder dan het overleven van de westerse cultuur; in die zin klinkt er in titel van zijn essay iets door van Spenglers beroemde en beruchte studie Untergang des Abendlandes (1921). Scruton is het met Spengler eens dat het Avondland bedreigd wordt. Om de situatie van de westerse cultuur te beschrijven gebruikt hij de militaire term besieged (belegerd); de westerse cultuur is als een burcht die belegerd en bedreigd wordt. Voor Scruton komt de dreiging zowel van binnenuit als van buiten de burcht. De dreiging van buitenaf is de islam – waarover hij uitvoerig schreef in Het westen en de islam. Over globalisering en terrorisme (2003) ‒ en de dreiging van binnenuit is wat hij de culture of repudiation  (cultuur van de verwerping) noemt en waartoe hij het feminisme, het cultuurrelativisme en het deconstructieve denken rekent.

Scruton heeft meer dan eens beweerd dat hij tot politiek bewustzijn kwam in mei ’68. Het revolutionaire elan van de jaren zestig kon hem geenszins bekoren. De anti-autoritaire en egalitaire tendensen van de studentenrevolte waren hem een doorn in het oog; Scruton ziet er alleen lege tolerantie, consumptief individualisme en een vorm van nihilisme in, het exact tegenovergestelde van wat hij zelf onder ‘cultuur’ verstaat.

Er bestaan heel wat definities van het begrip cultuur; het woord zelf is inzet van een ware oorlog. Er zijn onder meer antropologische, sociologische, etnologische, filosofische definities die elkaar nu eens overlappen en dan weer uitsluiten en tegenspreken. Scruton laat er geen twijfel over bestaan welke positie hij in dit debat inneemt: cultuur valt voor hem samen met ‘hoge cultuur’, met de intellectuele en artistieke verworvenheden van een de maatschappelijke elite in literatuur, schilderkunst, muziek en filosofie. Scruton sluit zich aan bij de definitie van  Matthew Arnold in de negentiende eeuw van cultuur als ‘het reservoir van het beste dat een samenleving heeft gedacht en voortgebracht’.

Matthew Arnold geloofde dat cultuur een verzachtende, zij het niet volledig neutraliserende, rol kon spelen tegen de destructieve effecten van het moderne, agressieve en materialistische stadsleven dat in de negentiende eeuw ontstond. Ook Scruton hangt een dergelijk dualistisch mens- en wereldbeeld aan, zoals blijkt uit deze passage uit Waarom cultuur: “Het menselijk leven wordt geleid op een dunne korst normaliteit, waarbij wederzijds respect een aangenaam evenwicht tussen mensen waarborgt. Onder die dunne korst ligt de donkere zee der instincten, meestal kalm, maar soms uitbarstend in een orgie van geweld. Daarboven bevindt zich de stralende lucht van denken en verbeelding, waar onze sympathieën zich verbreiden en waar we onze ideeën over de menselijke waardigheid laten gelden.

Cultuur is de collectieve praktijk die die ideeën steeds vernieuwt en onze sympathieën verbreidt tot in alle uithoeken van het hart. Ze is de voortgaande vastlegging van het gevoelsleven, die iedere nieuwe generatie de voorbeelden, beelden en woorden geeft waarmee ze kan leren wat ze moet voelen. Maar als de uitbarstingen zich voordoen, kan ze niets uitrichten om het geweld in te tomen.”

Scruton brengt hier de belangrijkste kenmerken van zijn cultuurbegrip samen. Cultuur is een collectieve, bovenpersoonlijke overdracht van ideeën, en meer nog van emoties en sympathieën. Veel meer dan informatie en kennis is cultuur een doorgeefluik van de capaciteit om te oordelen en te weten wat je moet voelen, aldus Scruton.

Cultuur is weliswaar het beste wat de mens heeft voortgebracht, maar het zal hem toch niet verhinderen om gewelddadig en destructief te zijn. Terecht merkt Scruton op dat men van cultuur niet kan vragen wat moraal en religie, veel krachtigere ethische instrumenten, niet kunnen bereiken.

Scruton schaart zich achter de  formulering van T.S. Eliot dat cultuur ‘de gemeenschappelijke zoektocht naar het juiste oordeel’ is. Die oordeelsvorming is het resultaat van vele generaties en heeft daardoor een hoge graad van objectiviteit. Het oordeel zelf vindt zijn neerslag in de ‘canon’, en met dat woord raken we een essentieel begrip in het culturele debat. Omdat cultuur in de betekenis van Scruton niet ‘gegeven’ is maar ‘bevochten’ moet worden, is het onderwijs een essentiële ‘rite de passage’. Hij stelt echter vast dat de moderne samenleving gekenmerkt wordt door een ‘grote puberale weigering’ om tot de volwassen wereld toe te treden: “Cultuur in al haar uitingsvormen is een uitnodiging om deel te nemen aan de samenleving als geheel, om de tienerkring achter je te laten en een wereld te betreden waar voorouders en hun verworvenheden prevaleren.”

Het is geen toeval dat Scruton beweert tot politiek (zelf)bewustzijn te zijn gekomen in mei ’68, maar in zijn geval niet uit sympathie voor de opstandige studenten, maar uit antipathie voor hun verzet tegen orde, traditie en autoriteit. Cultuur staat volgens Scruton niet ten dienste van het individu, maar het individu staat ten dienste van de cultuur. Het individu is een tijdelijke drager van de cultuur: door zijn gedrag, zijn meningen en zijn oordelen houdt hij die cultuur levend en draagt hij die uit.

Het gaat bij cultuuroverdracht niet om het begunstigen van het individu, maar om het begunstigen van de soort, aldus Scruton. Hij sluit hiermee aan bij Arnolds idee van opvoeding als Bildung: door te lezen en te studeren krijgen we een beter en dieper begrip van onszelf, onze traditie en onze samenleving. Wanneer we deze Bildung doorlopen hebben, kunnen we onszelf ‘gecultiveerd’ noemen, en maken we deel uit van iets dat groter is dan onze individualiteit. Daarom verzet Scruton zich met klem tegen een onderwijs dat zich ‘functionalistisch’ en ‘relevant’ opstelt. Hij pleit nadrukkelijk voor het vanbuiten leren van de klassiekers van de lyrische poëzie, het hardop lezen van heldendichten en het opvoeren van Shakespeare. Cultuur moet onderwezen worden zoals ze vroeger onderwezen werd, “met de juiste nadruk op de klassiekers en de oude geschiedenis, op de Bijbel, op de middeleeuwse poëzie, en op het erfgoed van de islamitische wijsbegeerte”, zoals Scruton zegt in Waarom cultuur belangrijk is . Dat laatste is een opmerkelijke  toegeving van Scruton, want de studie ervan stond nooit op het curriculum.

Voor Scruton heeft cultuur wezenlijk te maken met ‘lidmaatschap’, en heeft daardoor een diepe religieuze  structuur. Nu de religie in het westen haar centrale en zingevende functie heeft verloren, lijkt Scruton te suggereren dat de hoge cultuur die plaats moet innemen. De functie  van het onderwijs hangt voor Scruton samen met de rol van de elite, die als taak heeft om de hoge cultuur door te geven. Het doorgeven van die hoge cultuur  is voor Sruton een doel op zich, dat hij op een zeer scherpe manier afzet tegen de aandacht voor de individuele leerling  en de persoonlijke beleving, die het primaire uitgangspunt van het huidige onderwijs vormen.  “Het kind heeft er misschien niets aan – tot nog toe niet – maar de cultuur zal er baat bij hebben,” zo zegt hij provocatief, “Omdat cultuur een soort van kennis is, moet de leraar er werk van maken de leerling te zoeken die haar zal doorgeven.” Het gaat bij Scruton, zoals gezegd, veel meer om de bovenpersoonlijke cultuur dan om het individu.

Met betrekking tot wat er zich sinds de Tweede Wereldoorlog in het westerse denken heeft voltrokken, spreekt Scruton het over ‘een cultuur van de duisternis en ‘een cultuur van de verwerping’. Daarmee bedoelt hij de kritische posities die  het feminisme, het multiculturalisme en de deconstructie aan de universiteiten (en ook daarbuiten) hebben ingenomen. In zijn essay concentreert Scruton zich op twee denkers in het bijzonder, volgens hem allebei vertegenwoordigers van die ‘cultuur van de verwerping’: Michel Foucault en Edward Said. Voor Scruton heeft cultuur intrinsiek te maken met het vellen van oordelen. Foucault en Said zouden dat niet tegenspreken, maar daarbij de vraag stellen wie, in welke omstandigheden en in welke machtspositie welk oordeel velt en wat de gevolgen daarvan zijn. Beide denkers gaan ervan uit dat ieder oordeel ook altijd te maken heeft met macht, en dus met de mechanismen van in- en uitsluiting. Scruton verwijt hen gezag en autoriteit te hebben gereduceerd tot macht en manipulatie.

Scruton stelt cultuur tegenover het geweld waartoe de mens in staat is, maar daardoor blijft hij blind voor (zowel het fysieke als het discursieve) geweld dat inherent is aan de notie van cultuur, zeker wanneer die notie staat voor het hoge humanistische Bildungs-ideaal dat hij aanhangt. Het is precies de hoogte van het ideaal dat voor problemen zorgt. Cultuur is, zoals de Duitse denker Werner Hamacher duidelijk maakt, ook altijd: “de schaamte van de cultuur omdat ze misschien niet voldoende cultuur is”; we kunnen er immers nooit volledig zeker van zijn dat we voldoende gecultiveerd zijn. Hamacher: “Geen enkele cultuur is Cultuur, geen enkele cultuur kan zich meten aan zijn claim om cultuur te zijn. (…) Cultuur is daarom geen bezit, maar een projectie en een verwijt, een poging om een doel te bereiken – zichzelf, die andere – dat per definitie onbereikbaar is: altijd een andere cultuur, en altijd het schuldgevoel die andere cultuur niet te zijn en niet heel te zijn.” Cultuur is altijd een gespleten concept, een permanent conflict tussen realisatie en doel, tussen ideaal en ontoereikendheid. Het begrip ‘cultuur’ veroorzaakt, met andere woorden, vanaf het begin conflict in en tussen culturen. De gevolgen van deze interpretatie van cultuur zijn verreikend. Cultuur wordt gebruikt als een polemische term voor het onderscheid tussen cultuur en géén cultuur, yussen cultuur en natuur, tussen cultuur en barbarij ‒ dus als wapen in de strijd tegen andere culturen, als instrument van ontkenning en demonisering van andere culturen. “Cultuur is altijd ook een oorlogsverklaring”, zegt Werner Hamacher. In andere woorden: de notie van cultuur is altijd ook (of beter: kan altijd ook gebruikt worden als) een wapen om mee te zeggen dat de anderen geen cultuur hebben, of minder cultuur of een achterlijke cultuur. Het is die machtsontplooiing van het discours die Foucault en Said hebben blootgelegd.

Scruton wil ten enenmale niet erkennen dat het cultuurbegrip dat hij verdedigt ook een intellectuele en morele rechtvaardiging is van het Europese imperialistische project. Matthew Arnold schreef op het ogenblik dat Engeland  in het midden van de negentiende eeuw aan zijn koloniale project begon. De enige keer dat Scruton  naar het Britse imperialisme verwijst, is als hij zijn bewondering uitspreekt voor de paar duizend Britse ambtenaren die erin slaagden een wereldrijk te besturen. Scruton zou zich explicieter de vraag moeten stellen waarom de door de westerse cultuur gekoloniseerde landen zich met zoveel bloedvergieten hebben moeten losmaken van het koloniale juk. Zou het niet kunnen dat die hoge cultuur die Scruton zo prijst ook een zeer donkere kant heeft, die geen detail of toeval was, maar wezenlijk verbonden met het besef van de westerse superioriteit?

Wie enkel maar bewondering heeft voor de Britse koloniale administratie, weet niet hoe hij naar de geschiedenis moet kijken. Hij weet, met andere woorden niet hoe hij moet ‘oordelen’. Ieder monument van de beschaving is ook een monument van de barbarij, schreef ooit de filosoof Walter Benjamin terecht. Die dubbele blik is geen onderdeel van wat Scruton de ‘cultuur van de verwerping’ noemt, maar van een nuchtere en onromantische blik op de complexiteit van de geschiedenis.

Scrutons betoog wordt daarentegen gekenmerkt door een nostalgisch terugverlangen naar een vanzelfsprekende overdracht van hoge cultuur die nu door het allesoverheersende ‘lawaai’ van lage cultuur wordt overstemd. In haar retorische analyse van Scutons lezing in haar bijdrage voor Wat heet beschaving? wijst Hilde van Bellen op het polariserende  en  ongenuanceerde discours dat hij opbouwt en op het pathos dat daaraan ten grondslag ligt. De uitspraken van Scruton liegen er niet om: “Het is moeilijk om iemand die zonder cultuur opgegroeid  is ervan te overtuigen dat cultuur iets waardevols is. Een debat met egalitaristen heeft in elk geval weinig zin, aangezien het veronderstelt dat goede argumenten boven slechte  staan, wat een elitaire vooronderstelling is.”

Nochtans is dat precies wat veelal ontbreekt in de lezing van Scruton: argumenten en analyses. In een van de bijdragen wordt Scruton daarom terecht meer een ‘cultuurideoloog’ dan een ‘cultuurfilosoof’ genoemd. Hij is te weinig analytisch en argumentatief en beweegt zich in hoofdzaak op het terrein van overtuigingen en oordelen. Scruton wordt ‘cultuurveneratie’ verweten’, en er vindt bij Scruton zelfs een soort van ‘fetishering’ van het cultuurbegrip plaats, waardoor het zijn dynamiek verliest en een soort museum lijkt te worden.

Dat laatste is ook de stelling in de breed historische en panoramische bijdrage van Ad Verbrugge. Verbrugge volgt Scruton in diens stelling dat de cultuur (en dus ook onderwijs) onder druk van anti-autoritarisme en de ‘eigen persoonlijke beleving’  zijn ‘vorm’ verloren heeft. Dat vormverlies verbindt Verbrugge met een oppermachtig geworden kapitalisme: “Als geen enkele orde of moraal er meer toe doet, dan telt juist het geld.”  Maar Verbrugge  verwijt Scruton een gebrek aan inzicht in de dynamiek van de tijd. Zijn hautaine afwijzing van de populaire cultuur in haar geheel is daar een goed voorbeeld van. Verbrugge vindt het cultuurideaal van Scruton abstract en  ‘esthetiserend’. Hij houdt een sterk pleidooi voor een herwaardering van het ambacht en het beroepsonderwijs/de vakschool om te voorkomen dat te veel jongeren die minder intellectueel en meer praktisch zijn ingesteld buiten de boot vallen. Verbrugge pleit daarnaast voor een eigentijdse wisselwerking tussen hoge en lage cultuur.

In een stimulerend commentaar spelen Henri Bloemen en Winibert Egers voorts het denken van Scruton uit tegen dat van de Duitse filosoof Sloterdijk, bij wie ze een andere invulling van het cultuurbegrip vinden. Terwijl het denken van Scruton doortrokken is van een nostalgisch terugverlangen naar een voorbije, vanzelfsprekende culturele geborgenheid, kijkt Sloterdijk veel nuchterder naar de mogelijkheid om met de brokstukken van een inmiddels ontluisterde humanistische cultuur te bouwen aan een betere en meer leefbare toekomst. In zijn laatste boek Je moet je leven veranderen noemt Sloterdijk dat ‘het oefenende leven’, waarvan hij uitgebreid de geschiedenis en de tradities traceert (van gymnastiek en yoga tot spirituele en geestelijke oefeningen).

Voor Sloterdijk is de moderniteit geen bedreiging van de cultuur, zoals bij Scruton, maar een dynamiek waarmee we moeten leren omgaan:  “Scutons reflex is verdediging van het verworvene; Sloterdijks reflex is oefening om uit de al te hoge aanspraken van de klassieke  religie  en filosofie te ontsnappen in een beter leven.” Ook bij Sloterdijk gaat het uiteindelijk om het zoeken naar een nieuwe ‘vorm’ die door oefening verkregen wordt, maar die vorm is meer open en meer naar het heden, naar de toekomst en naar de ontmoeting met andere culturen gericht dan bij Scruton.

Misschien moeten we, in navolging van de Nederlandse filosofe Ilse Bulhof, cultuur niet beschouwen als een verzameling van indrukwekkende scheppingen van de menselijke geest, maar als “hulpconstructies door eindige mensen bedacht om het leven mogelijk te maken.” Cultuur heeft op die manier niets met heroïek of superioriteit te maken, maar is “bijna een verlegenheidsproduct”. Dit staat mijlenver ver van Scrutons idee van cultuur als een verzameling van leidende morele en esthetische oordelen., maar het sluit misschien dichter aan bij de grote culturele zoektocht waartoe een geglobaliseerde wereld ons dwingt.

Erwin Jans
Roger Scruton, Waarom cultuur belangrijk is (vertaald door Jabik Veenbaas), Uitgeverij Nieuw Amsterdam, 2007, 144 p.
ISBN 978 90 468 0390 5

Paulus van Bortel (red.), Wat heet beschaving? Roger Scrutons cultuur- en onderwijskritiek, Pelckmans/Klement, Kapellen/Zoetermeer, 2011,  ISBN 978 90 289 5124 2

This entry was posted in Books, World. Bookmark the permalink.

Comments are closed.