Franse mode, wetgeving en genocide

Op het gebied van de mode is Frankrijk de trendsetter van Europa. Het woordje ‘mode’ is zelfs van oorsprong Frans en betekent het zoveel als ‘manier’ of ‘wijze’. De rest van Europa lijkt Frankrijk echter niet enkel in modieuze zin te volgen, maar ook in zijn politieke manier of wijze. Dat was vroeger zo, maar ook in hedendaagse politieke kwesties zie je dat terug: Frankrijk sprak zich uit tegen een lidmaatschap voor Turkije in de Europese Unie; menig ander Europees land zag niets in dat lidmaatschap. Frankrijk wilde een boerkaverbod; het Nederlandse kabinet stemde onlangs in met een boerkaverbod. De Franse senaat heeft een wet aangenomen tegen het ontkennen van de Armeense genocide;  gaat de rest van Europa nu ook een dergelijke wet doorvoeren?

´De Franse manier is een geborneerde en louter provocerende. Die lost niets op, maar maakt juist ruim baan voor onnodige geschillen in de toekomst. De vraag is echter of Europa zich nog steeds zal laten domineren door modes die afkomstig zijn uit Frankrijk.´

Het is al door velen frappant genoemd, dat Frankrijk de geschiedenis wil vastleggen in het wetboek van strafrecht. Afgezien van het feit dat ze die überhaupt wilden, was het echter ook  voor velen de vraag waarom ze dat per se nú wilden doen. Want terwijl de   Armeense kwestie tot in de jaren zeventig in Turkije nog in de doofpot zat, was die in Frankrijk reeds decennialang bekend.

Toch was de eerste keer dat gewag werd gemaakt van strafbaarstelling van ontkenning van de Armeense genocide pas in 2001. Het Franse parlement verklaarde toen officieel dat de gebeurtenissen van 1915 in Turkije als daden van genocide aangemerkt moesten worden; dat was een jaar voorafgaand aan de presidentsverkiezingen van 2002.

In 2006 stemde het Franse parlement in met strafbaarstelling, maar de wet overleefde de stemrondes in de senaat niet. Opmerkelijk is dat ook dat vlak voor de presidentsverkiezingen van 2007 gebeurde. Men zou het gewoon toeval kunnen noemen dat de Fransen in april en mei van dit jaar presidentsverkiezingen zullen houden en dat het onderwerp opnieuw is aangezwengeld. Het is echter ook goed mogelijk dat hier sprake is van een politieke strategie.

De omvang van de Armeense gemeenschap in Frankrijk wordt geschat op rond de driehonderdduizend. Maar hoewel dat veel lijkt, is het op een bevolking van meer dan 65 miljoen niet echt een substantieel deel. Om de Armeense stemmen zal het dus niet gaan. Toch speelt in het verlengde van de Armeense kwestie een ander probleem: de Turks-islamitische kwestie in Europa. Door de explosieve groei van populistische partijen is het voor de mainstream partijen onmogelijk geworden dat deel van het electoraat te negeren dat gevoelig is voor exotische fenomenen in Europa. In de Franse peilingen eist het extreemrechtse Front National (FN) van Le Pen een derde van de stemmen op. Om niet bij het FN achter te blijven, lijken Sarkozy en anderen zich steeds vaker even extreem op te moeten stellen. In de twintigste eeuw zou de westerse wereld, inclusief Frankrijk, zich niet zo gemakkelijk aan dit soort volkssentimenten hebben overgegeven; tijdens de Koude Oorlog was het belang immers evident om de Turken gelieerd aan het Westen te houden.

Het is hoogst merkwaardig dat aan die vriendschap blijkbaar geen belang meer wordt gehecht.  Want in een periode waarin de gehele islamitische wereld in rep en roer is, wijzen moslims dikwijls naar het democratische Turks-islamitisch model als oplossing. Het moderne Turkije wordt als onderhandelaar gezien met een haast vlekkeloze geschiedenis – in tegenstelling tot westerse landen. Maar in plaats van dat de westerse wereld Turkije omarmt en via de Turks-Europese brug een duurzame, democratische stempel op de islamitische wereld drukt, lijkt een politiek van vooringenomenheid en zelfgenoegzaamheid meer tot de verbeelding te spreken. Daarnaast is  Turkije in een tijdperk van economische malaise een goed draaiende economische motor. Goldman Sachs, die de term ‘BRICS-landen’ (Brazilië, Rusland, India, China en Zuid-Afrika) introduceerde,  noemde Turkije een van de ‘Next eleven-landen’ die in navolging van de BRICS-landen de meeste potentie hebben om tot wereldeconomie uit te groeien. Frankrijk lijkt echter sancties te prefereren boven duurzame economische relaties.

En de de Armeniërs en hun leed? Verdienen zij het niet om gehoord te worden? Allicht wel. Maar hier is wel een verschil tussen de Armeniërs in Armenië, in de diaspora in westerse landen en de Armenen in Turkije zelf. De eerste twee groepen zijn euforisch over het aannemen van de wet en de erkenning van het leed dat hun voorvaderen is aangedaan. Want dat is precies wat het is: iets dat is voorgevallen, maar dat voor hen nauwelijks werkelijk speelt. Voor de minderheid in Turkije is dit anders: voor hen is het hoogst actueel hoe ze behandeld zullen worden in het epicentrum van dit geschil  het land waar ze wonen. De Franse spierballenwetgeving maakt hun positie er niet makkelijker op.

Turkije was goed op weg om een toleranter en opener intellectuele klimaat te scheppen met betrekking tot de Armeense kwestie. Dat bleek toen er in 2005 een conferentie over de Armeense genocide gehouden werd in Istanbul. Toen de Turkse rechter deze verbood,  greep premier Erdogan hoogstpersoonlijk in ten gunste van het recht op vrijheid van meningsuiting. Daarnaast heeft Turkije onlangs de befaamde Holocaustdocumentaire SHOAH via de staatstelevisie uitgezonden, waardoor het debat over genocides in het land werd aangewakkerd. En ook moet men niet vergeten dat in januari 2012 twintig- tot dertigduizend man in Istanbul de straat op gingen ter nagedachtenis van de Armeense journalist Hrant Dink.  Dink werd vijf jaar geleden vermoord werd om zijn opvattingen over de Armeense kwestie. Tien jaar terug zou zo’n grootschalige, publieke herdenking onmogelijk zijn geweest.

Één voor één zijn dit indicatoren dat Turkije op weg is naar meer openheid en tolerantie. Het is niet eerlijk dat men maar blijft pushen dat het sneller moet. Hoe moeilijk het bewandelen van een dergelijke weg is, blijkt namelijk – ironisch genoeg – uit de Franse geschiedenis. Want ook Frankrijk heeft nog steeds moeite met het onder ogen zien van zijn misdaden in Algerije, zijn directe betrokkenheid bij de Bamileke–genocide in Kameroen – die in de doofpot is gestopt – of de weg die het land mede heeft geplaveid voor de Rwandese genocide.

De Franse manier is een geborneerde en louter provocerende. Die lost niets op, maar maakt juist ruim baan voor onnodige geschillen in de toekomst. De vraag is echter of Europa zich nog steeds zal laten domineren door modes die afkomstig zijn uit Frankrijk.

This entry was posted in Diversity, Politics. Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

You may use these HTML tags and attributes: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>