Home is where the heart belongs?

De documentaire film My long distance friend (2011) van Carina Molier en Maria Mok houdt zich ver van de agressie en de heftigheid waarmee het identitaire debat in Nederland gevoerd wordt, maar heeft er op een bepaalde manier toch mee te maken.

Wie of wat bepaalt wie we zijn? De vraag naar onze ‘identiteit’ is de voorbije decennia uitgegroeid tot een fetisj, een reflex en zelfs  tot een vorm van terreur. “Het verlangen naar eigenheid heeft niet langer meer een nostalgisch gezicht. Het is verbeten geworden, het dreigt en stelt eisen”, aldus Bas Heijne in zijn essay Moeten wij van elkaar houden? Nederland wordt geteisterd door de vraag naar eigenheid en identiteit – zonder precies te kunnen omschrijven waar die woorden voor staan, maar dat lijkt er niet toe te doen: juist omdat het lege begrippen zijn die een vaag gevoel van helderheid, veiligheid en geborgenheid oproepen, zijn ze zo succesvol.

´Tegenover de ‘plat’ geworden wereld waarin alles en iedereen met elkaar verbonden is en waarin we de identiteit kunnen aannemen die we willen, maar tegelijkertijd behoefte bestaat aan duidelijke afgebakende (nationale, religieuze, etnische  gemeenschappen, plaatsen Carina Molier en Maria Mok het kwetsbare netwerk van familiale banden.´

Er is niets tegen een verlangen naar duidelijkheid, zekerheid en verbondenheid, integendeel zelfs. Deze begrippen worden echter problematisch wanneer ze verstenen tot een niet meer te negotiëren ideologie. Die verstarring  is het gevolg van de ingrijpende veranderingen  die we met  de omschrijving  ‘globalisering’ proberen te bevatten. We leven in een wereld van wat de antropoloog Arjun Appadurai omschrijft als ‘global flows’: stromen van geld, mensen, producten, bedrijven, ideeën, beelden et cetera bewegen in een onophoudelijke, niet meer te controleren dynamiek over de aardbol. De socioloog Zygmunt Bauman heeft het over liquid modernity, vloeibare moderniteit. “Al het bestendige en vaststaande vervluchtigt”, schreef Karl Marx al in het midden van de negentiende eeuw in het Communistisch Manifest. Moderniteit is vloeibaarheid. Maar het lijkt erop alsof in de postmoderniteit die vloeibaarheid verdampt is en dus nog ongrijpbaarder is geworden.

Die vloeibaarheid of die verdamping kunnen zowel positief als negatief beschreven worden, en wellicht is globalisering een onontwarbare mix van beide. Enorme mogelijkheden doen zich voor, en tegelijkertijd smelten zekerheden, tradities, gemeenschapsverbanden, ideologische bewegingen als sneeuw voor de zon en verliezen sociale organisaties en politieke instellingen hun legitimiteit. Er zijn grofweg twee mogelijke reacties op deze wereld waarin alles in beweging is: mee vloeibaar worden of proberen een rots te zoeken om je aan vast te houden. Volgens de socioloog Manuel Castells worden onze samenlevingen meer en meer gestructureerd rond de oppositie tussen het Net en het Zelf: tussen een meervoudige, vernetwerkte identiteit en een historisch en lokaal gewortelde identiteit, tussen kosmopolitisme en particularisme. Veel van de actuele politieke discussies gaan hier op terug. Het debat over Europa is daar een goed voorbeeld van.

De documentaire film My long distance friend (2011) van Carina Molier en Maria Mok houdt zich ver van de agressie en de heftigheid waarmee het identitaire debat in Nederland gevoerd wordt, maar heeft er op een bepaalde manier toch mee te maken.  Hij verplaatst het debat bewust van een maatschappelijk naar een direct, persoonlijk en emotioneel niveau. De film vermijdt met succes de valkuilen en de uitgeholde termen van het identiteitsdebat; veel meer dan over nationale traditie en culturele of religieuze eigenheid, gaat het in deze film over familie, over het hebben van ouders en kinderen, over het hebben van een thuis – en dat in een wereld die zowel een permanent verbonden netwerk  is als een archipel van geïsoleerde  eilandjes.

Carina Molier is in de eerste plaats theatermaakster. Haar theaterwerk is wel eens vaker omschreven als ‘documentair’, en in haar voorstellingen speelt ze graag op en met de grens tussen feit en fictie, tussen persoon en personage. Dat doet ze bij My long distance friend echter niet: hier ligt de focus volledig op de feiten en de personen; de werkelijkheid is in dit geval voldoende drama. Dat drama wordt echter niet rechttoe rechtaan uitgespeeld, maar opgenomen in een contemplatieve atmosfeer.  Zo eindigt de film met het beeld van een vliegtuig dat langzaam van de startbaan opstijgt. De voice over citeert een  passage uit het  essay Hoeveel globalisering verdraagt de mens? van Rudiger Safranski, waarin deze Duitse filosoof stelt dat de moderne mens in het bos verdwaald is. In die situatie heeft hij drie mogelijkheden: ofwel keert hij op zijn schreden terug in een poging om het punt terug te vinden waar alles fout liep, ofwel hij vervolgt zijn weg in de hoop toch ergens uit te komen, ofwel – en dat lijkt de keuze te zijn die Safranski voorstelt – maakt hij een open plek in het bos, gaat zitten en denkt na over zijn situatie. Langzaam verdwijnt het vliegtuig uit beeld. De opening  van de film kondigt dit einde reeds aan: hier worden impressies uit een verkeerstoren gecombineerd met een filosofische reflectie van een andere eigentijdse Duitse filosoof.  Het vliegtuig  is een visueel motief en staat voor de grenzeloze  mobiliteit van de moderne mens. Maar het vliegtuig staat ook letterlijk voor het loskomen van de mens van de aarde, van zijn wortels. Over de gesprekken uit  de verkeerstoren schuift de stem van Peter Sloterdijk: “Ik geloof dat de metafoor van het geworteld zijn zich pas in die tijden heeft kunnen ontwikkelen waarin duidelijk was vastgesteld dat mensen helemaal geen wortels hebben. Dan ontstaat het verlangen om een dier te worden. De utopie van het vrije gebruik van de benen, dat is iets wat de mens bijzonder fascineert. Dat ze het lot van het vastzitten aan de aarde zo’n 8000 jaar lang hebben moeten verduren, komen ze sinds 200 jaar weer los van de bodem”

De verwijzingen naar Safranski en Sloterdijk zouden kunnen suggereren dat de documentaire een intellectuele of filosofische  beschouwing  is over globalisering. Toch is dat niet zo: de film is veel meer een ingetogen en bij momenten ontroerende meditatie  over geborgenheid en ontheemding. Er is veel voor te zeggen dat de documentaire voor Carina Molier  (en dus wellicht ook voor de toeschouwer) een open plek is zoals Safranski die beschrijft: een plek om even na te denken over waar we op dit ogenblik staan; een poging om zowel verleden als toekomst te begrijpen en met elkaar te verbinden; een zoeken naar continuïteit en een oefening in berusting in het onvermijdelijke verlies.

Iedere belangrijke ontmoeting in een mensenleven is of wordt op een bepaald ogenblik een spiegel. De ontmoeting van Carina Molier met de drieëntwintigjarige Zimbabwaanse schone OG tijdens een party in Amsterdam een tiental jaar geleden is een  dergelijke ontmoeting, en My long distance friend is het verslag van (een deel van) die vriendschap. De voice over  in de film is die van  Molier zelf: zij is het die ons door de film gidst. In die zin is het misschien meer haar verhaal dan het verhaal van OG. Molier is betrokken, maar tegelijk ook afstandelijk: ze zit dicht op haar onderwerp, maar probeert emotioneel ook discreet te blijven, zowel naar zichzelf als naar OG toe. De contemplatieve modus van de film helpt om die afstand te creëren: de commentaren die de voice over  geeft en de vragen die ze stelt, gaan niet alleen haarzelf aan, maar ook de kijker: “Waar vind je je plek? Of maak je die zelf? Home is where the heart belongs. Of is het toch complexer?”

OG is een fascinerende jonge vrouw die er op het eerste zicht in slaagt de wereld naar haar hand te zetten. OG laat zich onderhouden door verschillende mannen – in de film zien we er op z’n minst vier of vijf – en weet haar onwaarschijnlijke leven ogenschijnlijk in evenwicht te houden. Ze heeft geen eigen woonst, maar beweegt zich tussen Duitsland, Oostenrijk, Afrika, Cuba en Thailand. OG vertegenwoordigt zo Sloterdijks “utopie van het vrije gebruik van de benen”: zij is de incarnatie van de ‘vloeibare moderniteit’. In het begin van de film zegt ze nog zelfverzekerd: “I feel at home everywhere. I am my own roots.” Het is het standpunt van het postmoderne  en kosmopolitische  individu dat gelooft in meervoudige identiteiten, het standpunt van de mobiele wereldburger die zich via het internet met de hele globe geconnecteerd voelt. Maar al snel stelt Carina  Molier zich de vraag: is OG een romantische rolling stone of een slachtoffer? Een kosmopoliet of een verdwaalde ziel? We zien OG dansen in clubs en op feesten: “Dancing is the only language I speak fluently”. Het is de taal van de extase, van de roes, van de vergetelheid, van de  uitwissing van iedere vaste identiteit. Maar ze is momentaan en, zo begint OG ook langzaam te beseffen, destructief.

In stukken en brokken krijgen we het levensverhaal van OG te horen. Hoe ze als kind thuis wegliep: “I felt very young that I did not belong to Africa”. Hoe ze op haar dertiende in Europa weet te geraken; hoe het leven in Europa haar ontwricht: “It is difficult to keep your personality in Europe.” Hoe ze veel te jong zwanger wordt; hoe ze gedwongen wordt haar kind naar Afrika, naar haar moeder terug te brengen. Hoe ze, terug in Europa, zowel van haar moeder als van haar dochter vervreemdt; hoe ze, naarmate ze ouder wordt, die banden zou willen herstellen, dochter en moeder zou willen zijn. Het losgeslagen en gebroken leven van OG wordt het prisma waardoorheen Carina Molier naar haar eigen leven  begint te kijken. De nomadische en avontuurlijke OG roept bij Carina herinneringen op aan haar eigen vader die voor zaken voortdurend de wereld rond reisde en een groot deel van zijn leven in anonieme hotelkamers doorbracht. Skypegesprekken van Carina met OG worden afgewisseld met reisdia’s uit de nalatenschap van vader Molier en met de zo typische familiefilmpjes uit de jaren zestig en zeventig. De dia’s, de Super 8-filmpjes, de Skype-beelden, de journaalbeelden over Zimbabwanen die de grens met Zuid-Afrika over vluchten brengen allemaal hun eigen textuur mee en geven aan de documentaire een zekere korreligheid. Het zijn de verschillende lagen waaruit een leven is opgebouwd: de intimistische archeologie van een existentie. De soms etherische, soms vervreemdende muzikale score versterkt nog de meditatieve sfeer van de film. Toch wordt er zoals gezegd discreet omgegaan met de vaak intense emoties: ook hier wordt gezocht naar de juiste afstand.

Terwijl OG probeert haar dochter naar Europa te halen en haar moeder in Zimbabwe opnieuw opzoekt, valt in het verhaal van Carina de familie langzaam uit elkaar. De ondernemingszin van vader Molier met zijn nomadische bestaan staat haaks op de behoefte van zijn vrouw aan zorg en regelmaat; na achtenveertig jaar huwelijk vraagt zij een scheiding aan. De vader vereenzaamt. We zien hoe Carina haar oud en breekbaar geworden vader verzorgt: “De thuiszorg is verzekerd, maar wie moet echt voor hem zorgen?” Hij sterft alleen aan een hartaanval. Na zijn dood denkt haar dementerende moeder dat haar man weer naast haar in bed ligt: “Banden voor het leven zijn niet te breken. Wanneer kies je voor elkaar? Wanneer ben je tot elkaar veroordeeld?” vraagt de voice over zich af.  In Afrika ontdekt OG dat ze haar moeder eigenlijk niets te zeggen heeft, en terug in Europa kan ze zelf ook niet de moeder voor haar dochter zijn die ze zo graag zou willen zijn. We horen opnieuw de stem van Sloterdijk : “Het is niet zo dat de mens één reusachtige zeepbel heeft geblazen waarin het hele zijn is opgenomen. Maar we moeten het  zo zien, dat ieder levend wezen, elk individu zijn eigen zeepbel blaast en we moeten de wereld veel meer zien als schuim en niet als één grote monosferische zeepbel met in het midden de mens als contemplatieve god. Er zijn alleen maar geïsoleerde eilandjes. De mens is een eilandbewoner.”  We zijn verbonden in eenzaamheid. Maar kunnen we die wel delen, onze eenzaamheid?

Tegenover de ‘plat’ geworden wereld waarin alles en iedereen met elkaar verbonden is en waarin we de identiteit kunnen aannemen die we willen, maar tegelijkertijd behoefte bestaat aan duidelijke afgebakende (nationale, religieuze, etnische  gemeenschappen, plaatsen Carina Molier en Maria Mok het kwetsbare netwerk van familiale banden. Hoe bepalen zij onze identiteit in een wereld waarin ook de traditionele gezinsstructuur onder druk staat? Identiteit, zo vertelt ons deze film, heeft niets te maken met volheid, met bezit, met eigenschappen, met wat we hebben; misschien heeft identiteit veel meer te maken met een niet op te vullen tekort, met een nooit goed te maken verlies, met een open vraag naar wat het betekent uit die ouders te zijn geboren en die kinderen te hebben. Is het die biologische lijn die onze diepste identiteit draagt? Maar wat betekent dat dan? We zien hoe het ouderlijke huis van Carina wordt afgebroken; het laatste fysieke teken van de geborgenheid van toen verdwijnt voorgoed.  Toch is My long distance friend geen nostalgische film, geen terugverlangen naar wat eens was, integendeel zelfs. Het is een film over onvermijdelijk existentieel verlies en hoe daarmee om te gaan. En het is een zoektocht naar wortels, maar in het ultieme besef dat we dieren zijn en dus ‘gedoemd’ om over de aarde te bewegen. Dat ‘gedoemd zijn’ is tegelijk onze vrijheid en onze mogelijkheid tot menselijkheid.

My long distance friend een film van Carina Molier in samenwerking met Maria Mok (SNG film/Ikon 2011)

meer info over My Long distance friend

This entry was posted in Migration, Politics. Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

You may use these HTML tags and attributes: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>