Over Intellectuelen en Democratie

Intellectuele activiteit lijkt een beetje op verleiding. Als je recht op je doel afgaat, loopt het bijna zeker op niets uit. Als je iemand wilt worden die bijdraagt aan het grote wereldhistorische debat en je doet dat direct en doelbewust, dan is dat tot mislukken gedoemd. Het beste wat je kunt doen is het te hebben over kwesties die, om het zo maar een te zeggen, een wereldhistorische resonantie hebben, maar op een niveau waarop je invloed kunt uitoefenen. Als jouw bijdrage aan de discussie wordt opgepakt en onderdeel wordt van een bredere discussie of van een discussie elders, dan zij dat zo en dan is dat alleen maar goed.

Ik denk dus niet dat intellectuelen er goed aan doen te beweren dat de wereld democratisch moet zijn of dat de mensenrechten wereldwijd beter moeten worden gerespecteerd. Het punt is niet dat het standpunt niet wenselijk zou zijn, maar het draagt zo weinig bij, noch aan het bereiken van het doel, noch aan de serieuze discussie. Maar als diezelfde persoon in plaats daarvan aantoont wat er werkelijk schort aan de democratie als systeem of aan afzonderlijke democratieën, dan legt diegene een veel betere basis voor de stelling dat de democratie zoals wij die kennen er een is die anderen zouden moeten willen nastreven. Enkel beweren dat onze democratie een democratie is, of zeggen dat je zelf geen interesse heb in onze eigen demiocratie, maar wel wil helpen die van een ander op te bouwen, roept de volgende reactie op: ga dan maar weg en herstel eerst je eigen democratie maar, en als dat lukt, is er misschien ook interesse vanuit het buitenland, etc. Om internationaal te zijn moeten we dus eerst nationaal zijn.

´Ik beschouw de huidige eeuw als een van toenemende onzekerheid die deels teweeg wordt gebracht door buitensporige economische vrijheid, waarbij ik dat woord in een zeer specifieke betekenis gebruik, deels door de klimaatverandering en deels door de aanwezigheid van onvoorspelbare staten´

Waar zouden we ons op dit moment druk over moeten maken? We staan aan het eind van een zeer lange cyclus van verbetering, een cyclus die eind achttiende eeuw begon en die, ondanks alles wat er sindsdien is gebeurd, zich feitelijk voortzette tot in de jaren negentig van de vorige eeuw: de gestage groei van de kring van landen waarvan de heersers moesten aanvaarden dat er zoiets bestond als gerechtigheid. Vanaf de zestiger jaren van de twintigste eeuw werden ze volgens mij overlapt door twee verschillende, maar verwante ontwikkelingen: die van economische en individuele vrijheid. Die twee laatstgenoemde lijken weliswaar verwant te zijn aan de eerste, maar vormen in werkelijkheid ook  een potentieel gevaar voor gerechtigheid.

Ik beschouw de huidige eeuw als een van toenemende onzekerheid die deels teweeg wordt gebracht door buitensporige economische vrijheid, waarbij ik dat woord in een zeer specifieke betekenis gebruik, deels door de klimaatverandering en deels door de aanwezigheid van onvoorspelbare staten. Waarschijnlijk zullen wij als intellectuelen en politiek filosofen in een situatie terechtkomen waarin onze voornaamste taak niet is om een visie te geven op een betere wereld in de toekomst, maar om te bedenken hoe we voorkomen dat een slechtere ontstaat. Dat is een andere situatie, waarin het soort intellectueel dat prachtige beelden schetst hoe van een ideale, verbeterbare wereld, misschien niet degene is naar wie het best kan worden geluisterd.

Misschien vragen we ons tegen die tijd af hoe we de mensenrechten kunnen verdedigen die in onze (grond-)wetten zijn opgenomen, onze normen, vrijheden, instituties, enzovoort. We zullen ons vermoedelijk niet afvragen of de oorlog tegen Irak wel of geen goede manier was om democratie, vrijheid, de vrije markt en dergelijke naar het Midden-Oosten te brengen, maar wel of het wel een verstandige onderneming, zelfs als de gestelde doelen zijn bereikt. Men kan de alternatieven overwegen; had met de beperkte middelen elders niet meer kunnen worden gedaan?

Dit is voor de vele intellectuelen die zich met de grote abstracties bezighouden en die verdedigen en trachten bevorderen, geen gemakkelijke zaak. Maar ik denk dat we de grote abstracties de komende generaties juist het best kunnen verdedigen en te bevorderen door gebruik te maken van de instituties en wetten en regels en die te beschermen. Die zijn immers onze meest succesvolle poging die grote abstracties te belichamen. En de intellectuelen die zich hiermee bezighouden zijn degenen zijn die er het meest toe zullen doen.

Timothy Snyder: Maar het gaat toch niet zozeer om het spreken over of het verspreiden van democratie, het is toch juist iets heel subtiels dat is opgebouwd uit allerlei kleine en kwetsbare mechanismen en gebruiken, zoals ervoor zorgen dat de stemmen goed worden geteld?
Als je kijkt naar de geschiedenis van de naties die de deugden die we met democratie associëren hebben gemaximaliseerd, dan zie je dat constitutionaliteit, gerechtigheid en de scheiding der machten de eerste stappen waren. Democratie komt bijna altijd het laatst. Als we met democratie bedoelen dat iedere volwassene kan meebeslissen over wie hen bestuurt, dan kwam die pas heel laat – in enkele landen die we nu beschouwen als grote democratieën, zoals Zwitserland, pas tijdens mijn leven,  en in andere Europese landen als Frankrijk tijdens dat van mijn vader. We moeten onszelf dus niet wijsmaken dat democratie het beginpunt is.

Democratie staat in dezelfde verhouding tot een goed gestructureerde liberale samenleving als een zeer vrije markt staat tot succesvol, goed gereguleerd kapitalisme. Massademocratie in een tijd van massamedia betekent dat je snel kunt onthullen dat Bush de verkiezingen van 2000 onterecht heeft gewonnen, maar het betekent ook dat het een groot deel van de bevolking niets kan schelen. In een ouderwetse, negentiende-eeuwse liberale samenleving met beperkt kiesrecht zou Bush minder gemakkelijk in staat zijn geweest de verkiezingen op zo’n controversiële manier te winnen: de relatief weinige betrokkenen zouden het zich veel sterker hebben aangetrokken. We betalen dus een prijs voor de massificatie van ons liberalisme en dat zouden we moeten begrijpen. Dat is nog geen argument om terug te keren naar beperkt kiesrecht of naar twee klassen van kiezers of wat dan ook – je weet wel, van de geïnformeerden en de niet-geïnformeerden. Maar het is wel een argument voor de stelling dat democratie niet het antwoord is op het probleem van onvrije samenlevingen.

Timothy Snyder: Maar zou democratie dan ongeschikt zijn voor een minder optimistische eeuw? Want de beste verdediging van massapolitiek is dat het ergere systemen voorkomt en ervoor zorgt dat mensen niet iedere keer op dezelfde manier in de maling worden genomen.
In de uitspraak van Churchill dat democratie het slechtst mogelijke systeem is met uitzondering van alle andere, zit een kern van waarheid, hoewel in beperkte mate. Democratie is de beste kortetermijnverdediging geweest tegen ondemocratische alternatieven, maar het is geen verdediging tegen haar eigen intrinsieke tekortkomingen. De Grieken wisten dat het onwaarschijnlijk was dat de democratie zou vallen voor de charmes van totalitarisme, autoritarisme, of oligarchie; het is veel waarschijnlijker dat zij valt voor een corrupte versie van zichzelf.

Democratieën corroderen vrij snel: ze corroderen linguïstische zin – of retorische, als je liever hebt – dat is Orwells punt over taal. Ze corroderen omdat de meeste mensen er niet veel om geven. Zie hoe de Europese Unie, waarvoor de eerste parlementaire verkiezingen werden gehouden in 1979 met een gemiddelde opkomst van meer dan 62 procent, nu, hoewel het Europese Parlement tegenwoordig belangrijker is en meer macht heeft, genoegen moet nemen met een opkomst van minder 30 procent. Hoe moeilijk het is om de vrijwillige interesse in het meebeslissen over de mensen die over jou beslissen vast te houden, is goed gedocumenteerd. En de reden waarom we intellectuelen nodig hebben en alle goede journalisten die we maar kunnen vinden, is om de ruimte te vullen die groeit tussen de twee waarin de democratie is verdeeld: de bestuurden en de bestuurders.

Uit: Tony Judd & Timothy Snyder:  Thinking the Twentieth Century, geschreven samen met Timothy Snyder en onlangs uitgegeven door Penguin.

Denken over de twintigste eeuw
Tony Judt & Timothy Snyder (vert. Wybrand Scheffer)
Uitgever: Contact
Prijs: 55,00
480 bladzijden
ISBN 978902903656 8

This entry was posted in Politics, World. Bookmark the permalink.

Comments are closed.