Het vergeten oosterse christendom

In 2010 maakte Philip Jenkins veel indruk met zijn studie Gods werelddeel. Christendom, islam en de religieuze crisis in Europa. Het was een van de betere overzichten van de stand van de religie in Europa van de voorbije jaren. Jenkins is afkomstig uit Wales en doceert geesteswetenschappen aan Pennsylvania State University. Veel van zijn academisch onderzoek concentreert zich op het mondiale christendom en op nieuwe christelijke bewegingen.
 

´Het is niet overdreven te zeggen dat het christelijke zwaartepunt in het oosten lag. Jenkins presenteert de lezer een grotendeels onbekende christelijke geografie met namen van steden als Nineve, Seleucië, Herat, Merv en Samarkand. Daarmee probeert Jenkins een correctie aan te brengen op het beeld dat het christendom bijna uitsluitend verbindt met het Westen´

Religie is de voorbije decennia, vooral onder invloed van de globale impact van het islamisme, niet alleen uitgegroeid tot een belangrijk wetenschappelijk en journalistiek onderzoeksterrein, maar schrijven over religie is ook een ‘industrie’ geworden. De wereldwijde stroom van publicaties is niet te overzien, laat staan bij te houden. Het is daarom van belang te weten welke de waardevolle bijdragen aan het debat zijn. Met de naam van Philip Jenkins zit je in elk geval goed. Hij schrijft op een zeer goed geïnformeerde, uitgebalanceerde en leesbare  manier en laat zich nooit meeslepen door de heftige emoties of de ideologische zwart-wittegenstellingen die het religiedebat in de media sturen.

In Gods werelddeel creëert Jenkins de voor reflectie benodigde afstand door gebruik te maken statistieken, door breed historisch inzicht en door zich niet alleen op de islam, maar ook op de ontwikkelingen binnen de christelijke religies te concentreren. Het uitgebreide cijfermateriaal, de historische en sociologische contextualisering, het globale perspectief  maken van zijn studie een nuchtere en kritische analyse die met succes de klip van een naïef optimisme en de afgrond van de apocalyptische visioenen weet te vermijden. Jenkins boek, dat heel wat vooronderstellingen – onder andere over secularisering – onderuit haalt, is verplichte lectuur voor iedereen die zich met deze materie bezighoudt.

Dat geldt ook voor zijn nieuwste boek Het vergeten christendom. De duizendjarige bloeitijd van de kerk in het Midden-Oosten, Azië en Afrika. Daarin concentreert hij zich op de aanwezigheid van christelijke gemeenschappen in het Midden-Oosten tussen grofweg 400 en 1400 na Chr.. De namen van die gemeenschappen, waarvan sommigen als ketters werden beschouwd, doen zeer exotisch aan, zo weinig zijn we ermee vertrouwd: nestorianen, jacobieten, monofysieten, maronieten, kopten, chaldeeërs en zo meer. Jenkins schetst uitgebreid het portret van bisschop Timotëus, de patriarch van de Kerk van het Oosten. Timotëus was een tijdgenoot van Karel de Grote: ‘Gelet op zijn aanzien en de geografische reikwijdte van zijn gezag mogen we gerust stellen dat Timotëus de belangrijkste geestelijke leider van zijn tijd was, veel invloedrijker dan de westerse paus in Rome en vergelijkbaar met de oosters-orthodoxe patriarch in Constantinopel. Misschien wel een kwart van alle christenen op aarde zag in Timotëus zowel een geestelijk als een politiek leider. Hij kon met minstens zoveel recht als de westerse paus beweren aan het hoofd te staan van de opvolger van de oude apostolische kerk.’

Het is niet overdreven te zeggen dat het christelijke zwaartepunt in het oosten lag. Jenkins presenteert de lezer een grotendeels onbekende christelijke geografie met namen van steden als Nineve, Seleucië, Herat, Merv en Samarkand. Daarmee probeert Jenkins een correctie aan te brengen op het beeld dat het christendom bijna uitsluitend verbindt met het Westen: ‘Tot ver in de Middeleeuwen, gedurende de hele periode van de kruistochten, waren grote delen van het Midden-Oosten nog christelijk en leefden er door heel Azië nog miljoenen christenen, met een kerkelijk en intellectueel leven dat minstens zo ontwikkeld was als dat van elk willekeurig land in West-Europa.’ Als we het over de middeleeuwse kerk hebben, dan gaat dat meestal over West-Europa en is er geen of nauwelijks aandacht voor de zeer ontwikkelde oosterse wereld met Constantinopel als officieel centrum. Daarnaast onderscheidt Jenkins nog ‘een derde christelijke wereld’, een immens rijk dat zich tot diep in Azië uitstrekte. Daar hanteerde de kerk talen als het Oudsyrisch, het Perzisch, het Turks, het Sogdisch en het Chinees! Het latijn speelde buiten West-Europa nauwelijks een rol. Het verval van de christelijke kerken in het oosten komt er pas in de veertiende eeuw.

De oosterse episode dwingt ook tot een herziening van de geschiedenis van de theologie. Ooit was wat nu de officiële Rooms-Katholieke en Orthodoxe leer waren, onderdeel van een veel breder spectrum aan opvattingen en interpretaties. Door aandacht te vragen voor de plaats van de oosterse kerk herschrijft Jenkins niet alleen voor een deel de officiële geschiedenis van het christendom, maar ook die van de islam en zijn verhouding tot het christendom. Hij maakt duidelijk dat christenen een belangrijke rol speelden in de administratie en het bestuur van het islamitische rijk en dat de islam en zelfs de Koran veel ontleenden aan het christendom (en het jodendom). De Duitse wetenschapper Christoph Luxenberg (pseudoniem) beweert zelfs dat de Koran oorspronkelijk een Syrisch-Aramees liturgieboek was met lofliederen en fragmenten uit heilige geschriften die wellicht werden gebruikt bij christelijke diensten. Die stelling is erg omstreden, maar dat de oosterse kerken een constituerende rol gespeeld hebben in de formatie van de islam staat buiten kijf.

Voor Jenkins is de christelijke religie de meest expansieve op dit ogenblik, grotendeels vanwege de vele charismatische bewegingen die vooral in Afrika actief zijn. Maar er bestond reeds eerder een wereldwijd christendom, stelt hij. Gedurende het grootste deel van de geschiedenis van het christendom, tot in de veertiende eeuw, was het een ‘driecontinentengodsdienst’ met een groot aantal volgelingen in Europa, Afrika en Azië. Dat wordt mooi afgebeeld op een symbolische wereldkaart, die in het boek staat afgedrukt en waarop Europa, Azië en Afrika drie blaadjes zijn die vastgehouden worden door Jeruzalem, het middelpunt en hart van de christelijke wereld (al was Constantinopel dan het middelpunt voor de oosterse christenen).

Jenkins’ historische studie heeft een grote actuele waarde omdat op dit ogenblik, tengevolge van de Arabische Lente en de politieke en religieuze consequenties ervan, de resterende kleine christelijke gemeenschappen in het Midden-Oosten volledig dreigen te verdwijnen. In de inleiding op de Nederlandse vertaling van zijn boek gaat Jenkins uitgebreid in op de situatie in Syrië. De paradox van de situatie is dat de voormalige dictatoriale regimes in Irak, Syrië en Egypte bescherming boden aan religieuze minderheden, waaronder de christenen. In Syrië zijn de christenen nauw gelieerd aan het alawietische machtsapparaat van Assad, met alle gevolgen van dien. Nu die bescherming grotendeels is weggevallen, ziet het er slecht uit voor deze eeuwenoude christelijke gemeenschappen en andere religieuze minderheden in het Midden-Oosten. De gewelddadige spanningen tussen moslims en Kopten in Egypte en de dreigende wraak op de Alawieten in Syrië liegen er niet om: ‘Als dit afschuwelijke scenario werkelijkheid wordt, zullen we mogelijk meemaken dat het christendom in Irak én Syrië wordt uitgeroeid. Dan zijn we weer een stap dichter bij een ‘christenvrij’ Midden-Oosten, een regio die zowel etnisch als religieus grondig gezuiverd is. Westerse diplomaten zouden alles in het werk moeten stellen om dit te voorkomen.’

Het is geen toeval dat Jenkins ook een heel hoofdstuk uitwerkt onder de titel ‘Het mysterie van de overleving’, waarin hij nagaat of er lering valt te trekken uit de vernietiging van de oosterse kerken en of bedreigde religieuze minderheden met die kennis hun voordeel kunnen doen.

Dat die laatste sporen van een veelkleurige multiculturele en multireligieuze lappendeken in het Midden-Oosten aan het verdwijnen zijn, betreurt Jenkins. Toch is zijn studie niet geschreven vanuit nostalgie naar het verleden of vanuit een eenzijdige agressie naar de islam, die verantwoordelijk zou zijn voor de ondergang van de oosterse kerken: ‘Mijn beschrijving van de ondergang van de niet-Europese kerken is geen treurzang om een wereldwijde christelijke hegemonie die nooit bestaan heeft, laat staan voor het onvermogen om rivaliserende godsdiensten als de islam het hoofd te bieden. We zouden het eerder jammer moeten vinden dat een eens bloeiende cultuur te gronde is gericht, zoals we ook treuren om de teloorgang van het islamitische Spanje, het boeddhistische India, of de joodse wereld in Oost-Europa.’

Jenkins ziet zijn studie daarnaast ook als een aanvulling op een christelijke theologie die vooral aandacht heeft voor de expansie en niet voor het verval en de ontkerstening: ‘De ontkerstening is een van de minst bestudeerde aspecten van de christelijke geschiedenis.’ Tegelijk besteedt Jenkins ook aandacht aan de manieren waarop kerkgemeenschappen proberen te overleven. Zijn boek opent met zijn specifieke invalshoek ook andere perspectieven op feiten die meestal in andere contexten worden vermeld, zoals de kruistochten of de invallen van de Mongolen, die het islamitische rijk respectievelijk vanuit het westen en het oosten aanvielen en ieder op hun manier hebben bijgedragen tot een verzwakking van de christelijke kerken in het Midden-Oosten.

De vraag is waarom de rijke en bloeiende christelijke cultuur tegen het einde van de veertiende eeuw nagenoeg helemaal verdwenen was. Het is op die vraag dat Jenkins in zijn boek een genuanceerd antwoord probeert te geven. Het was volgens Jenkins een geleidelijk proces waarbij vele factoren een rol speelden. Een van die factoren was uiteraard de islam: de oosterse christelijke kerken ontwikkelden zich vanaf het einde van de zevende eeuw in een door de islam gecontroleerde omgeving. In de eerste eeuwen stelde de islam zich vrij tolerant op tegenover de christenen en joden (als volkeren van het Boek), en vele christenen gaven zelfs de voorkeur aan de islamitische overheersing boven de Byzantijns-Romeinse. Dat klimaat van tolerantie veranderde echter naarmate de islam zelfzekerder werd, hoewel het nog steeds niet onmogelijk was om samen te leven. Jenkins wijst er meer dan eens op dat christelijke rijken zeker niet opener en toleranter omgingen met bijvoorbeeld de joden of groepen die als ketters werden beschouwd. Toch verbaast het hem dat het tragische lot van de niet-Europese christenen in het Oosten – vervolging en terugdringing – niet of nauwelijks een plaats heeft gekregen in het collectieve bewustzijn; we gaan ervan uit dat het Midden-Oosten altijd zo islamitisch geweest is als nu.

Een andere wijdverbreide mythe is dat de islamitische expansie zeer snel verliep. Dat klopt in politieke zin, maar wat niet klopt is dat de overgang naar de islam snel en pijnloos zou zijn verlopen. Volgens Jenkins moet de mythe van de islamitische verdraagzaamheid in die periode dringend worden herzien. Hij verwijt zijn collega Karen Armstrong die tolerantie in haar werk te veel te hebben benadrukt: ‘Het diepgewortelde Afrikaanse en Aziatische christendom kwijnde niet weg als gevolg van gebrek aan geestdrift of theologische verwarring; het werd vermorzeld onder het gewicht van oorlog en vervolging.’

De Armeense genocide en de dood van tienduizenden maronitische en Assyrische christenen door toedoen van de Turken in 1915-‘16 is het trieste en weerzinwekkende hoogtepunt van dit geweld tegen de oosterse christenen. Het ging echter om een proces dat zich geleidelijk voltrok, met lange periodes van vreedzame co-existentie, gevolgd door zeer gewelddadige periodes van vervolging en verdrijving om zeer verschillende redenen. Rond 1300 zou er zich bijvoorbeeld wereldwijd een vlaag van religieuze en etnische onverdraagzaamheid hebben voorgedaan en in het Midden-Oosten bleef daarnaast de schrik voor de Mongolen (die voor een deel christelijk waren) reëel aanwezig. Jenkins ziet ook een oorzaak in de klimaatsverandering, ‘want de wereld ging een periode van snelle afkoeling in en zou spoedig te maken krijgen met slechte oogsten en slinkende handelsroutes: een bange en verpauperde wereld gaat op zoek naar zondebokken.’ Voor de islamitische regimes in het Midden-Oosten waren dat de reeds verzwakte christelijke kerken.

Sommige christengemeenschappen wisten te overleven, anderen niet. In Noord-Afrika zijn er geen sporen meer, terwijl de Kopten in Egypte en de Maronieten in Libanon wel bleven bestaan, zij het in beperktere aantallen en kleinere gemeenschappen. De pagina’s waarin Jenkins beschrijft hoe de christenen in het Midden-Oosten probeerden te overleven en soms fatale politieke allianties aangingen, behoren tot de beste van het boek. Ze halen niet alleen een vergeten geschiedenis naar boven, in veel gevallen helpen ze ook het zo complexe en tragische Midden-Oosten van vandaag beter te begrijpen.

Philip Jenkins, Het vergeten christendom. De duizendjarige bloeitijd van de kerk in het Midden-Oosten, Azië en Afrika (Nieuw Amsterdam, 2011) ISBN 9789046810422

This entry was posted in Books, Middle East, Politics. Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

You may use these HTML tags and attributes: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>