Iraniërs en hun films: echte liefde

De Oscar voor Asghar Farhadi’s A Separation is een triomf voor Iraniërs over de hele wereld.

New York. Op de avond van 26 februari won Joda’i-ye Nader az Simin (A Separation) tijdens de ceremonie van de 84ste Academy Awards de prijs voor de beste niet-Engelstalige film. Een nieuw hoogtepunt voor de Iraanse cinema, die al vele toppen heeft bedwongen.

Euforie maakte zich meester van Iraniërs over de hele wereld waren ze tot diep in de nacht opgebleven of hadden ze hun wekkers gezet, afhankelijk van hun afstand tot de Amerikaanse westkust. De hoeders van de veel bekritiseerde Islamitische Republiek waren echter wantrouwig, en de complotdenkers onder hen dachten dat de prijs onderdeel was van een samenzwering. Deze mensen beschouwen alles als een samenzwering, net als de reactionaire elementen in de ‘oppositie’ die ze hebben doen ontstaan en over de hele wereld hebben verspreid om aan de macht te kunnen blijven.
De machthebbers in de Islamitische Republiek dachten dat de Oscar diende om hun heerschappij te ondermijnen. Degenen die hopen dat Amerika en Israël hen ooit in Iran aan de macht zullen brengen, dachten juist dat de prijs was bedoeld om te voorkomen dat ze het regime omver zouden werpen. Paranoia alom dus, en daarmee vormde de prijs een waterscheiding tussen degenen die door de politiek waren aangeraakt en degenen die door de kunst werden bevrijd.

Cinema illuminé

Iedereen die ook maar enige affiniteit heeft met de filmkunst, in het bijzonder de Iraanse, vond dat het hoog tijd was voor een Oscar. De bekroning lag al lang in het verschiet en was meer dan verdiend. De suiker smolt in onze harten, zoals we in het Perzisch zeggen.
Iraniërs en hun cinema hebben een echte liefdesrelatie. Elke film van een begaafde Iraanse cineast is een liefdesbrief aan het publiek, dat zo’n brief altijd beantwoordt en deelt in de vreugde en extase van de internationale erkenning. Want ook de rest van de wereld houdt van deze films en bewondert ze om hun verhalen en hun filmtaal, om het virtuoze acteerwerk en het vernuft van de regisseurs, het geraffineerde camerawerk en de ensceneringen – of anders vanwege de slimme montage, het geluid, et cetera. Maar elk van deze films bevat tevens een (niet erg goed) verborgen boodschap van de Iraanse filmmakers aan hun publiek: ’Wij zijn hier, we zien jullie, we staan achter jullie, we zullen deze tirannie doorstaan, de dageraad gloort, hou vol, het leven is mooi!’
Die zondagavond was de hele wereld getuige van de liefde tussen de Iraniërs en hun cinema. Mannen en vrouwen, links en rechts, vroom en anderszins, kwamen bij elkaar in de hoop dat de wereld hen zou leren kennen door het beste wat ze in zich dragen. De Oscar was een moment van triomf voor een volk dat zwaar lijdt onder de machthebbers in eigen land, maar ook onder de dreiging van oorlog en de verlammende sancties die van buiten worden opgelegd – uitgerekend door de winnaar van de Nobelprijs, Barack Hussein Obama!
De Iraanse cinema schonk de wereld Abbas Kiarostami, Mohsen Makhmalbaf, Jafar Panahi, Amir Naderi, Bahram Beizai, Bahman Farmanara en Dariush Mehrjui, en nog veel meer sterren uit heden en verleden die over de hele wereld worden bewonderd. Eindelijk heeft deze cinema een groot, internationaal publiek bereikt, de bekroning van meer dan een eeuw visionaire filmkunst.
Asghar Farhadi beklom de Mount Everest van de internationale film, en Forough Farrokhzad (1935-1967), de begaafde en baanbrekende dichteres/cineaste, scheen die winteravond als een gelukzalige ster haar stralende licht op haar nakomeling.

Film en samenleving in Iran

De geboorte van de Iraanse film valt samen met de oorsprong van de cinema zelf, in de periode dat Iran zijn gedenkwaardige ontmoeting had met de Europese koloniale moderniteit. Mirza Ebrahim Khan Akkas Bashi, hoffotograaf van Mozaffar ad-Din Shah (de monarch uit het geslacht der Qajaren die tussen 1896 en 1907 regeerde) kocht in juli 1900 in Parijs een van de eerste Gaumont-camera’s, waarmee hij het bezoek van zijn vorst aan Europa filmde. Al snel daarna werden in Iran de eerste bioscopen geopend. Sindsdien is het medium film onlosmakelijk verbonden met het Iraanse volk.
De nieuwe kunstvorm slaagde erin om de censuur van koningen en geestelijken te omzeilen en de gewone Iraniërs te begeleiden bij zowel de moeilijkste als de mooiste momenten uit hun collectieve geschiedenis. Met name na de constitutionele revolutie (1906-1911) werd de Iraanse film een integraal onderdeel van de meest ingrijpende gebeurtenissen uit de geschiedenis van het land, en begeleidde zij het Iraanse volk in de woelige overgang naar de moderniteit, waarbij altijd de meest traumatische keerpunten in de hedendaagse geschiedenis werden vastgelegd.
Niet-islamitische Iraniërs, met name Armeniërs, speelden een cruciale rol in de ontwikkeling van de Iraanse film. In 1925 stichtte de prominente Iraans-Armeense cineast Ovanes Ohanian (1896-1960) de eerste filmacademie in Iran en in 1930 maakte hij de eerste Iraanse stomme film, Haji Agha (De filmacteur). Later, in 1932, maakte Ohanian de film Abi en Rabi. Die invloed van niet-moslims op de Iraanse cinema was bovendien van cruciaal belang bij de vorming van Iran als natiestaat.
De eerste Iraanse sprekende film, Dokhtar-e Lor (het Lor-meisje), werd gemaakt door Ardeshir Irani en Abdolhossein Sepanta voor de Imperial Film Company in Bombay, en had als ondertitel ‘Het Iran van gisteren en het Iran van vandaag’. Deze film kreeg een politieke ondertoon tijdens de opkomst van de Pahlavi-dynastie en het ’moderniseringsbeleid’ van Reza Shah (die regeerde van 1925 tot 1941).

Spoedig na de door de CIA gesteunde staatsgreep van 1953 werd de Iraanse film een belangrijk cultureel podium om de trauma’s van een verraden natie vast te leggen. In de jaren vijftig en zestig ontgonnen filmakers als like Farrokh Ghaffari, Ebrahim Golestan, Forough Farrokhzad en Dariush Mehrjui nieuw terrein voor de Iraanse film. Bij elkaar vormen hun films een perfecte afspiegeling van de hoop en de angsten van hun landgenoten.
Met de release van The Cow (1969) van Dariush Mehrjui kreeg de Iraanse film een groter, internationaal publiek en de oprichting van het Tehran World Festival in 1973 bracht gerenommeerde regisseurs als Satyajit Ray en Michelangelo Antonioni naar Iran. Maar het waren de trauma’s van de Iraanse revolutie (1977-1979) en de daaropvolgende oorlog met Irak (1980-1988) die de Iraanse filmmakers een gemeenschappelijk platform gaven waarmee zij een bloeiperiode zouden inluiden en hun films onder de aandacht van de wereld zouden brengen. Veel historici beschouwen overigens het afbranden van de Rex-bioscoop, op 19 augustus 1978 in de zuidelijke stad Abadan, waarbij honderden mensen omkwamen, als de aanzet tot de Iraanse revolutie van 1979.
Het waren de films Runner (1985) van Amir Naderi, die werd opgenomen terwijl Saddam Hussein Iran bombardeerde, en Bashu: The Little Stranger (1986) van Bahram Beizai, die zich afspeelt in het door oorlog verscheurde land, die de Iraanse film internationaal in de belangstelling brachten. In deze periode kwam ook de meester van de Iraanse oorlogfilm naar voren: Ebrahim Hatamikia, de Iraanse Oliver Stone.
In de naoorlogse rechteloosheid maakte Jafar Panahi furore en al snel werd hij gevierd als dè filmregisseur van de Groene Beweging. Nu moet hij een gevangenisstraf uitzitten en mag hij twintig jaar lang geen films maken. Hij heeft dit verbod getrotseerd en onlangs een film uitgebracht met de titel This is not a Film (2010). Geen regering ter wereld kan de menselijke inventiviteit tegenhouden, dat is de eerste en laatste les die de Iraanse film ons leert.

De kleine grote man

Oscarwinnaar Asghar Farhadi heeft vele roemruchte voorzaten. Generaties van illustere Iraanse filmmakers, van Forough Farrokhzad tot Jafar Panai, staan elke keer als hij achter zijn cameraman staat en ’Actie!’ of ‘Cut!’roept naast hem.
Farhadi (1972) volgde in Teheran een opleiding tot theaterregisseur, maar voelde zich als snel aangetrokken tot de film, een medium waarin hij vanaf het begin uitblonk, getuige de vele bekroningen voor zijn werk. Fireworks Yesterday (2006) won de Gouden Hugo op het International Film Festival van Chicago en About Elly (2009) kreeg op het festival van Berlijn een Zilveren Beer voor de beste regie. Zijn meest recente film, A Separation, waarvoor hij de Oscar kreeg, ging in première op het 29ste Fajr International Film Festival in Teheran en kreeg meteen veel bijval van de critici. In februari 2011 werd het de eerste Iraanse film die een Gouden Beer won in Berlijn. Op 15 januari 2012 volgde de Golden Globe als beste niet-Engelstalige film en was de film de Iraanse inzending voor de Oscars, met nominaties in de categorieën beste niet-Engelstalige film en beste oorspronkelijke scenario.
Toen Farhadi zijn Award in ontvangst nam, begroette hij eerst zijn landgenoten met een paar woorden in het Perzisch. Hierna volgde een boodschap van hoop en vrede voor zijn eigen volk en alle mensen op de wereld:

Op dit moment kijken vele Iraniërs van over de hele wereld naar ons, en ik stel me voor dat ze erg blij zijn. Maar ze zijn niet alleen blij omdat een film een belangrijke prijs heeft gewonnen. In deze tijd, waarin politici spreken over oorlog, intimidatie en agressie, wordt ons land geroemd om haar prachtige cultuur, een rijke, oeroude cultuur die lang verborgen zat onder een dikke laag politieke stof. Daarom zijn de mensen blij. Ik wil deze prijs met trots opdragen aan het volk van mijn land, het volk dat alle culturen en beschavingen respecteert en niets moet weten van vijandigheid en rancune. Ik dank u allen.

Miljoenen Iraniërs hingen aan Farhadi’s lippen en al snel gingen Perzische vertalingen van zijn woorden als een lopend vuurtje over de hele wereld, waarna hij en zijn team werden bedolven onder de felicitaties. Maar op het moment van deze triomf gingen de gedachten ook uit naar meestercineasten die in ballingschap zijn gestorven, zoals Sohrab Shahid Sales (1943-1998), of die in het buitenland wonen, zoals Amir Naderi en Bahram Beizai, of die een verbod hebben om films te maken, zoals Jafar Panahi.
Het regime, dat kort daarvoor de enige onafhankelijke vereniging van Iraanse filmmakers had verboden (The House of Cinema: The Iranian Alliance of Motion Picture Guilds), deelde niet in de eer. Zoals altijd hadden de Iraanse filmmakers de censuur van de Islamitische Republiek moeten ontwijken om de Iraniërs roem te bezorgen.
De angst van het regime voor de wereldwijde populariteit van de Iraanse film is terecht. Dankzij de cinema heeft het Iraanse volk reeds de garnizoensstaat kunnen ontvluchten waaraan de machthebbers 75 miljoen mensen wil onderwerpen. Het internationale publiek dat de Iraanse film heeft gegenereerd, zal niets minder bewerkstelligen dan de bevrijding en de het definitieve afwerpen van de ketenen waarmee de Islamistische tirannie haar onderdanen wil kluisteren.

Hamid Dabashi is Hagop Kevorkian Professor of Iranian Studies and Comparative Literature aan de Columbia University in New York. Over de Iraanse film schreef hij onder meer het boek Masters and Masterpieces of Iranian Cinema (2007).

This entry was posted in Middle East, Politics. Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

You may use these HTML tags and attributes: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>