Mohammed Arkoun, De menselijke constructie van de islam

Mohammed Arkoun, een van de prominentste islamgeleerden van de voorbije decennia, overleed in 2010, enkele maanden voor het uitbreken van de Arabische Lente. Arkoun is geen onbekende in Nederland: in 1992-1993 gaf hij gastcolleges aan de Universiteit van Amsterdam en twee van zijn boeken verschenen in het Nederlands: Islam in discussie. 24 vragen over de islam (1989/1992) en Islam & democratie (1994), een gesprek tussen hemzelf en Frits Bolkestein. Ongewild houdt hij Nederland in 1994 een omgekeerde spiegel van de toekomst voor: “Nederlanders reageren op de verre of nabije aanwezigheid van islam, moslims en Arabieren in ieder geval minder neerbuigend en stekelig dan Fransen dat weleens doen.” Enkele jaren later zou het klimaat in Nederland volledig omslaan; in het voorbije anderhalve decennium is het woord ‘islam’ inzet geworden van een grondverschuiving in de Nederlandse politiek!

´Dit gevoel van intellectuele eenzaamheid is ook om andere redenen sterk aanwezig in Arkouns laatste interview. Zo vindt hij dat de academische en wetenschappelijke nieuwsgierigheid die hij in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw aan de Franse universiteiten ervoer, sterk is afgenomen.´

Mohammed Arkoun wordt algemeen beschouwd als een wegbereider voor een hedendaagse duiding van de (geschiedenis van de) islam die is gebaseerd op  recente inzichten uit de geesteswetenschappen. Onlangs verscheen een uitgebreid interviewboek met Mohammed Arkoun onder de titel: La construction humaine de l’islam (De menselijke constructie van de islam). De gesprekken ( met islamoloog Rachid Benzine en godsdienstsocioloog Jean-Louis Schlegel) vonden kort voor de dood van Arkoun plaats en kunnen daarom beschouwd worden als zijn intellectueel testament, al heeft hij de eindredactie van het boek niet meer zelf kunnen voltooien. Het boek kan beschouwd worden als een inleiding op Arkouns werk, maar vermeldt daarnaast ook relevante biografische data. Naast gedetailleerde informatie over Arkouns afkomst, zijn opvoeding, zijn leermeesters en zijn intellectuele ontwikkeling, bevatten de gesprekken veelzeggende passages over de haast onmogelijke positie van een kritische denker in de islamitische wereld en over de intellectuele sisyphusarbeid die hij moet verzetten in een context waarin vrij wetenschappelijk onderzoek, zeker waar dat religie betreft, wordt afgekeurd.

Wat Mohammed Arkoun van de Arabische lente zou hebben gevonden, zullen we nooit weten. Hij zou ongetwijfeld de val van de dictators en het verlangen naar vrijheid en democratie hebben toegejuicht. Maar of de politieke doorbraak van het gematigd islamisme hem gelukkig zou hebben gestemd, is nog maar de vraag. De academische en intellectuele vrijheid waarvoor hij vocht en die hij in zijn denken ontplooit, heeft in de Arabisch-islamitische wereld ook nu nog steeds geen of nauwelijks bestaansrecht. Arkoun mag dan een van de belangrijkste moderne denkers van de islam zijn, zijn werk werd en wordt – buiten het (westerse) academische milieu van de Islamitische Studies -  grotendeels genegeerd. En hij was zich daar tijdens zijn leven reeds van bewust. De toon van zijn laatste interview is onder andere daarom wellicht behoorlijk somber. Arkoun wist dat hij, hoewel om verschillende redenen, met zijn ‘antropologie van de islam’ vrijwel alleen stond, zowel in het Westen als in de Arabische wereld: in beide omgevingen moest hij opboksen tegen vooroordelen en idées fixes. In het Westen, waar hij wel vrijheid van denken en spreken vond, vond hij geen echte gesprekspartner. In zijn inleiding op het vraaggesprek met Bolkestein schreef Arkoun lucide : “De islam is geen uitdaging van het Andere, geen bron van reflectie, geen gesprekspartner, geen samenwerkingspartner voor de Europeaan, het blijft deze derde persoon, het object waarover men spreekt, dat men onder de microscoop legt, reïficeert, opblaast of banaliseert tot er een ideologisch monster overblijft, dat overal zijn kop kan opsteken (…)” Arkoun merkte dit in 1994 op, maar zijn uitspraak had een grote voorspellende kracht voor de twee daaropvolgende decennia!

Dit gevoel van intellectuele eenzaamheid is ook om andere redenen sterk aanwezig in Arkouns laatste interview. Zo vindt hij dat de academische en wetenschappelijke nieuwsgierigheid die hij in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw aan de Franse universiteiten ervoer, sterk is afgenomen. Na de dood van denkers als Greimas, Ricoeur, Barthes, Foucault en Derrida zijn de theorieën van het discours – waar Arkoun sterk op leunt – minder aanwezig in de academische milieus (behalve in de letterenfaculteit). Arkoun besluit erg somber: ‘En tout cas, j’ai l’impression d’avoir prêché dans le désert avec mes travaux.’ (‘Ik heb in elk geval het gevoel dat ik met mijn werken in de woestijn heb staan prediken.’)

De eenzaamheid die Arkoun in de Arabische wereld ervaart is nog groter en dieper. Hij vergelijkt zijn positie met die van zeer conservatieve Egyptische televisiepredikers als Al Qardaoui en Amr Khaled. Volgens Arkoun kunnen deze mannen zelfverzekerd en met autoriteit spreken omdat ze dubbel worden ondersteund door zowel door een onwetend mondiaal moslimpubliek als door de autoriteiten die een dergelijke mediacontrole over de televisiekijkers toelaten en goedkeuren. Arkoun zegt over zijn eigen positie als publiek spreker: ’Quand je suis interviewé, je tremble à l’idée de dire tel ou tel mot.’ (‘Als ik geïnterviewd word, dan heb ik schrik om bepaalde woorden uit te spreken.’) Ook met een moderner denker als Tariq Ramadan is voor Arkoun geen echt gesprek mogelijk, omdat eerstgenoemde de traditionele uitgangspunten van de koranlectuur niet ter discussie stelt. Arkoun beschouwt het denken van deze predikers als een ‘grote gevangenis’. Vanwege de ‘geïnstitutionaliseerde onwetendheid’ in de Arabische wereld heeft hij weinig verwachtingen over hoe zijn werk daar zal worden ontvangen. Zijn hoop is uiteindelijk op Europa gericht, zo blijkt uit de slotpagina’s van zijn laatste interview, en het is maar de vraag of hij de Arabische Lente als een nieuwe mogelijkheid tot intellectuele en kritische openheid zou hebben geïnterpreteerd.

Het gevoel een buitenstaander te zijn heeft Arkoun altijd gehad, zo blijkt meerdere keren uit het gesprek. Als kind van een traditionele familie uit Taourirt-Mimoun in Kabylië en geboren in 1928  tijdens de Franse koloniale overheersing, voelde hij zich dubbel gemarginaliseerd: de jonge Mohammed Arkoun sprak immers Frans noch Arabisch. Dat ervoer hij in alle scherpte toen hij op negenjarige leeftijd zijn geboortedorp verliet om bij zijn vader te gaan werken, een groenteboer in een rijke Franse koloniale nederzetting. Het is door toedoen van een oom dat de jongeman een gedegen opvoeding krijgt, onder meer bij de Witte Paters en nadien aan de universiteit van Algiers. Aan de vooravond van de Onafhankelijkheidsoorlog verlaat Arkoun Algerije en gaat in Parijs aan de Sorbonne studeren. Zijn positie van buitenstaander heeft hem als intellectueel uiteindelijk veel opgeleverd, waaronder een kritische afstandelijkheid.

Arkoun overschreed de grenzen tussen het Berbers, het Arabisch en het Frans en de daarbij horende culturele tradities aanhoudend. Door zijn berberafkomst, en vooral door zijn moeder, was hij ook vertrouwd met de ‘animistische’ religie van Kabylië. Als kind merkte hij daarnaast eveneens het verschil op tussen de moskee en de kerk, onder meer wat de aanwezigheid van vrouwen tijdens de eredienst betrof. Die vertrouwdheid met religieuze pluraliteit is een andere reden voor Arkouns afkeer van orthodoxie en fundamentalisme. Tijdens de Algerijnse revolutie trachtte men die verschillende culturele historische lagen in Algerije uit te wissen met de bedoeling de samenleving te arabiseren en te islamiseren. Arkoun heeft zich altijd met klem tegen dat monopolie van de arabisch-islamitische cultuur verzet.

Arkoun plaatst zijn denken expliciet in de erfenis van het Arabisch humanisme van de tiende en elfde eeuw, de periode waarin vrij en wetenschappelijk denken nog mogelijk was, ook over de betekenis van de koranische openbaring, en de bab al-ijtihad (de poort van de interpretatie) nog niet was gesloten. Zijn hele loopbaan lang heeft Arkoun gevochten tegen deze intellectuele beknelling en heeft hij geijverd voor een modernisering van de studie van de Koran en van de geschiedenis van de islam. Met modernisering bedoelde hij at de studie van de islam open moest staan voor de nieuwste ontwikkelingen en methodes  uit de geesteswetenschappen. Arkoun liet zich inspireren door het denken dat zich vanaf de jaren vijftig in Frankrijk ontwikkelde en waarvan figuren als Claude Levi-Strauss, Michel Foucault en Algirdas Greimas belangrijke gangmakers waren. Een grote ontdekking voor Arkoun was het onderscheid dat Foucault maakt tussen de geschiedenis van ideeën en de geschiedenis van systemen van denken, of van wat Foucault  de geschiedenis van de épistèmès noemt. Daaronder verstaat Foucault het geheel van kennis en wetenschap in een bepaalde periode en hoe die onderlinge samenhang wordt ervaren. Tijdens een ‘epistemische breuk’ verandert deze ‘orde der dingen’. Aangezien er in verschillende épistèmès sprake is van een ander  conceptueel kader, ziet men de wereld ook op een andere manier. Om opvattingen uit een eerder épistèmè te begrijpen, moet hiermee rekening worden gehouden.
Het is vanuit dit inzicht dat Arkoun  zich concentreert op datgene wat ongedacht (l’impensé) en wat ondenkbaar (l’impensable) is in de islam. Geen enkel ‘épistèmè’ – misschien is ‘paradigma’ wel een goede vertaling – kan alles denken: er zijn steeds ideeën die ‘ongedacht’ en ‘ondenkbaar’ blijven. Arkoun bedrijft een archeologie van de verborgen, verdrongen en gemarginaliseerde sferen van de islam en probeert die te integreren in een open en humanistische visie op de Koran en de islam.

Een van Arkouns belangrijkste boeken heet Lectures du Coran (1982). Het meervoud – lecturen – is hier essentieel. Het wijst op Arkouns pluralistische benadering bij de lectuur van de Koran, met inbegrip van vergeten of gemarginaliseerde tradities en van nieuwe inzichten uit de sociale en humane wetenschappen. Wat hij de traditionele islamstudie verwijt, is gebrek aan methodologie, vrijheid, durf en wetenschappelijke ernst. De titel van het interviewboek, met zijn verwijzing naar ‘de menselijke constructie’ van de islam, zal in veel islamitische gezelschappen als blasfemisch ervaren worden. Arkoun maakt een onderscheid tussen enerzijds het woord van de Profeet, dat hij niet ontkent, maar dat niet langer voor ons toegankelijk is, en anderzijds het discours van de Koran, met zijn compositie, zijn structuur, zijn opbouw, zijn specifiek taalgebruik, zijn historische gelaagdheid, zijn intertekstualiteit et cetera. Het profetische woord kan niet bestudeerd worden, het koranische discours daarentegen wel, want dat maakt deel uit van de menselijke geschiedenis.

Arkouns humanistische (en in zekere zin holistische) aanpak van de islamstudie vertaalt zich ook in zijn pleidooi voor een geïntegreerde mediterrane cultuur. Het brede historische perspectief dat Ferdinand Braudel ontwikkelde in zijn studie De Middellandse Zee en de mediterrane wereld ten tijde van Filips II (1949/1992) was voor Arkoun een grote bron van inspiratie: ‘Het nieuwe van de aanpak ligt in zijn algemene kijk op de Middellandse  Zee, die benaderd wordt als een levend acteur in het drama van de geschiedenis, en op de mediterrane wereld die wordt waargenomen in zijn verschillende bestanddelen in een tijdperk waarin een herschikking van krachten plaatsvond met de bevestiging van met name de Spaanse en de Turkse overheersing.’ Toch merkt Arkoun terecht op dat vooral de noordelijke kust van de Middellandse Zee is bestudeerd’, en dat de verhouding tussen noord en zuid er een is van macht en overheersing. ‘Het lijkt paradoxaal om te spreken van de actualiteit van de mediterrane cultuur op het moment dat de mediterrane wereld haar betekenis slechts ontleent aan de Amerikaanse strategische bases voor de verdediging van de “vrije wereld” en aan de zonovergoten stranden die miljoenen toeristen uit de rijke landen van het Noorden trekken.’

Arkoun schreef dit in de periode rond de Eerste Golfoorlog. We zijn nu twee decennia verder, maar de vraag is of er fundamenteel iets veranderd is in de verhouding tussen de twee oevers van de Middellandse Zee. Na de snelle val van Ben Ali in Tunesië en Moebarak in Egypte heeft de Arabische Lente haar onschuld verloren: Bahrein, Jemen, Libië en Syrië hebben ons geconfronteerd met de terugkeer van de bekende geopolitieke schema’s. Het internationale machtsspel en de enorme politieke en economische belangen die in de regio op het spel staan overschaduwen de roep naar vrijheid en democratie. De kans dat in die context een erudiete en subtiele analytische stem als die van Arkoun gehoord wordt, is helaas erg klein. In 2010 overleed naast Arkoun ook de Egyptische islamgeleerde Nasr Abu Zayd. Zolang hun stemmen niet meespreken in het debat over de toekomst van de Arabisch-islamitische wereld, ziet het er voor die wereld én voor het westen somber uit.

Erwin Jans
Mohammed Arkoun, La construction humaine de l’islam. Entretiens avec Rachid Benzine en Jean-Louis Schlegel, Albin Michel, 2012, ISBN 978-2-226-20900-9

Mohammed Arkoun, Islam in discussie. 24 vragen over de islam (Uitgeverij Contact, Amsterdam/Antwerpen, 1992) ISBN 90-254-0294-1
Frits Bolkestein, Mohammed Arkoun, Islam & De democratie. Een ontmoeting, (Uitgeverij Contact, Amsterdam/Antwerpen, 1994) ISBN 90-254-0217-8

This entry was posted in Books, Middle East, Politics. Bookmark the permalink.

One Response to Mohammed Arkoun, De menselijke constructie van de islam

  1. said says:

    ik ben blij dat mohammed arkoun uit Arabisch land komt ,
    met vriendelijke groet
    said

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

You may use these HTML tags and attributes: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>