Politiek Islam, een kwestie van hegemonie

Vandaag de dag lijkt de ‘Arabische lente’ een historische gebeurtenis te zijn die een diepe ironie in zich bergt. De reden waarom Ben Ali en Mubarak door de internationale gemeenschap werden getolereerd was de garantie op sociale en politieke stabiliteit, die echter in werkelijkheid de onderdrukking van islamitische bewegingen behelsde.

Stabiliteit was zelfs een argument om de gehele samenleving te onderdrukken, maar dat bleef altijd een bijzaak die iedereen probeerde te negeren. Nu, een jaar na de opstand van de Tunesische en Egyptische bevolking, zijn het de Moslim Broederschap in Egypte en haar tegenhanger Al-Nahdha in Tunesië die de landen leiden en de nieuwe constituties voorbereiden. Het gevreesde monster van voor de “Arabische Lente” wordt getolereerd en zelfs verwelkomd als strategische partner.

´Nu de politieke islam aan de macht is, kijkt iedereen hoe de partijen manoeuvreren om een religieus-politiek regerinssysteem in te stellen. De grootste angst is dat men, ondanks dat men door democratie aan de macht is gekomen,  een nieuwe dictatuur wil vestigen. Met een absolute meerderheid in beide kamers is in Egypte het islamiseringproces niet veel meer dan een formaliteit; het grote debat gaat over in hoeverre de gematigde partij tegenstand zal bieden aan de radicale. In Tunesië liggen de zaken wat ingewikkelder.`

Met 48 procent van de zetels in de Egyptische senaat en in een coalitie met de Salafisten, de radicale islamisten, is het Moslim Broederschap hard op weg het politieke systeem in het land compleet te veranderen en de constitutie van haar voorkeur in te voeren. Sinds Oktober 2011 is Al-Nahdha de grootste partij in Tunesië en regeert die het land, en samen met haar bondgenoten strijdt ze een harde strijd om een geschikte grondwet in te voeren. Dat lijkt in Egypte gemakkelijker te gaan dan in Tunesië. Het debat draait echter in beide landen om het sleutelwoord ‘sharia’.
Laten we niet vergeten dat de twee landen verbonden zijn met dezelfde beweging, die in de eerste helft van de vorige eeuw door de Egyptenaar Hassan Al-Banna werd opgerich en in de jaren zeventig Tunesië bereikte. De stroming werd altijd onderdrukt, maar verdween nooit helemaal. Dat gaf dictators een belangrijk argument om de hele samenleving te onderdrukken. Ironisch genoeg maakte die onderdrukking de beweging en de daarmee gepaard gaande zelforganisatie een sterke impuls. Door de opstand, waardoor de dictators gedwongen werden op te stappen, kregen de islamisten weer een centrale rol, en het was mettertijd heel gemakkelijk om een hoofdrol op zich te nemen.

Een van de redenen voor deze snelle terugkeer van de islamisten is het gedeelde gevoel van diepe onderdrukking onder de bevolking. De meeste mensen voelden zich mentaal verbonden met deze beweging omdat die decennialang de meest onderdrukte politieke partij was. Een andere reden is echter de belangrijke rol van het geloof in deze samenlevingen. Zowel de Tunesische als de Egyptische samenleving zijn over het algemeen sterk verbonden met religie, ook al is voor het merendeel van de  inwoners de islam meer een ensemble van regels en tradities dan een werkelijk weten of ideologie.

Nu de politieke islam aan de macht is, kijkt iedereen hoe de partijen manoeuvreren om een religieus-politiek regerinssysteem in te stellen. De grootste angst is dat men, ondanks dat men door democratie aan de macht is gekomen,  een nieuwe dictatuur wil vestigen. Met een absolute meerderheid in beide kamers is in Egypte het islamiseringproces niet veel meer dan een formaliteit; het grote debat gaat over in hoeverre de gematigde partij tegenstand zal bieden aan de radicale. In Tunesië liggen de zaken wat ingewikkelder. Al-Nahdha vormt een coalitie met twee partijen die niet expliciet religieus gefundeerd zijn en moet daarom meer compromissen sluiten. Maar waar het spel op het gebied van het technische democratische proces is gewonnen, is dat nog niet zo duidelijk het geval in de openbare ruimte.

Nu de strijd om de verkiezingen is verloren, blijven die voor een beschaafde samenleving en voor het debat in de openbare ruimte over. Iedere samenleving reageert volgens het systeem dat het van het vorige regime heeft geërfd: in Egypte gaan de liberalen weer de straat op om te protesteren tegen de macht van het leger en het project van de Moslim Broederschap; in Tunesië gaan de mensen ook weer de straat op en worden er regelmatig sit-ins voor het parlement georganiseerd, met slechts één boodschap: jullie hebben de verkiezingen dan wel  gewonnen, maar dat geeft jullie nog niet het recht alles te doen wat je maar wilt. De spanning in Egypte is wijder verbreid dan in Tunesië: de Egyptenaren vechten voornamelijk tegen de macht van het leger; in Tunesië staan de mensen tegenover een incompetente regering die men niet in capabel de uitdagingen van dit moment aan te gaan.

Er zijn tussen beide landen ook religieus-culturele verschillen. De Egyptische islam is niet hetzelfde als de Tunesische. De eerstgenoemde is orthodoxer en is gebaseerd op twee exegeten, te weten Abu Hanifa en Ach-Chafii, wan wie de laatstgenoemde gematigder en voortbouwde op de theorieën van Ibn Malek. Daarnaast maken alle samenlevingen een eigen historische evolutie door: in Tunesië staat het vrouwenvraagstuk bijvoorbeeld meer centraal dan in Egypte. Het plan om het religieuze huwelijk in Tunesië weer in te voeren ter vervanging van het burgerlijk huwelijk nadat het zestig jaar lang verboden is geweest, wordt gezien als een schandalige stap terug op het pad naar moderniteit en als afstand doen van het principe van monogamie als uitkomst van decennia van strijd tegen vooroordelen en diepgewortelde conservatieve tradities. Het religieuze huwelijk is in Egypte nooit afgeschaft en daarom is polygamie in dat land ook nog steeds legaal.
Iets anders waaraan men kan zien hoe de Tunesische samenleving weerstand biedt aan de politieke islam is de verbreidheid van geweld en intimidatie tegen seculieren, die meestal ‘laïcs’ genoemd, ‘atheïsten’. Beide woorden worden vaak samen gebruikt. Het is relevant op te merken wie doelwit zijn van dit geweld: televisiezenders, omdat die films uitzenden die vanuit een religieus oogpunt als niet-correct worden beschouwd; universiteiten, omdat die geen vrouwen met boerka’s toelaten; filmmakers, die van godslastering worden beticht; advocaten, omdat zij zich distantiëren van de incompetentie van de regering et cetera. Meestal wordt dit antiseculier geweld toegeschreven aan de salafisten. Van de kant van islamitische regeringspartij komt niet meer dan een ambigue afwijzing, die volgens veel waarnemers niet meer is dan een strategie om het gematigde karakter van de politieke Islam aan te tonen. Paradoxaal genoeg wordt de partij minder vertrouwd naarmate ze die gematigdheid meer benadrukt.

De belangrijkste kritiek op de Moslim Broederschap betreft hun dubbelzinnige taal. Terwijl men de eigen openheid benadrukt, probeert men de psychologische macht over de aanhang te behouden. Tegen de liberalen wordt gezegd dat alle vrijheden verzekerd zullen zijn, maar tegen de anderen wordt Tunis uitgeroepen tot hoofdstad van het nieuwe moslimimperium. Tegelijkertijd worden radicale predikers, veelal uit Egypte, verwelkomd of zelfs uitgenodigd om les te geven in de interpretatie van religie over onderwerpen als politiek rechts, het maken van afbeeldingen, muziek en dans tot excisie (een bepaalde vorm van vrouwenbesnijdenis red.). Tijdens zijn bezoek aan Saudi-Arabië verklaarde de Tunesische premier dat de sluiting van bars in zijn land een kwestie was van tijd. De Tunesische president, de bondgenoot van de premier, zei echter dat hij tegen iedere vorm van vrijheidsinperking is. Die schizofrenie verklaart een groot deel van de spanning die een jaar na de opstand nog bestaat en die diep verankerd ligt in het mentale weefsel van de samenleving.

Zowel Egypte als Tunesië hebben altijd in twee richtingen gekeken: naar het Westen en haar waarden van democratie, rationalisme en technologie, en naar het Oosten, voornamelijk voor religieuze inspiratie. Ironisch genoeg ontmoette het Westen het Oosten na de Arabische Lente niet vanwege al deze waarden, maar vanwege een gedeeld hegemonistisch belang. Het is opmerkelijk dat de internationale conferentie van de vrienden van Syrië in Tunis werd georganiseerd op verzoek van de Verenigde Staten en Katar. De eerste is leidend wat betreft de politieke druk op het regime van Al-Assad; de tweede is er zelfs van beschuldigd de gewapende groeperingen en delen van de oppositie te financieren. Als de democratische wereld een dictator oproept om te vertrekken, dan ‘klopt’ da altijd op een of andere manier, zelfs al is die wens niet altijd gebaseerd op een werkelijke wens om de geest van de democratie te verspreiden. Maar het is absurd als diezelfde oproep komt van een niet-democratisch regime, zoals dat van Katar of Saudi-Arabië.  Een dergelijke combinatie is even verdacht als de samenwerking tussen Katar en de NAVO tegen het voormalige regime van Khaddafi. Khaddafi was een verre van democratisch staatshoofd. Maar dat de democratische wereld een pact zou sluiten met een ander niet-democratisch regime om een verandering in een land teweeg te brengen is absurd.

Het pact tussen de twee Golfstaten is niet nieuw. Sinds 11 september en de invasie van Irak is de strategie met betrekking tot de zogenoemde moslimwereld volledig veranderd. De westerse wereld – lees de VS – begon haar beleid te bouwen op bemiddeling door een strategische bondgenoot. De twee landen, met hun eigen hegemonistische belang in de regio, spelen deze rol uitstekend. Reeds in de jaren tachtig speelden de landen rond de Arabische Golf een grote rol bij de oorlog tussen Irak en Iran en later waren zij direct betrokken bij de vernietiging van Saddam Hussein. Steeds als er een conflict is, grijpen ze in om de controle over de situatie over te nemen. Het is geen toeval dat de voormalige Tunesische  president Ben Ali asiel vroeg in Jeddah (Saudi-Arabië) en zijn schoonzoon in Doha (Katar). Toen de opstand in Bahrein begond, greep het Saudische leger onmiddellijk in en sloeg de demonstratie bloedig neer.

De twee landen hadden altijd een leidende rol in de zogenoemde Arabische wereld. Hoe meer ze investeerden in economische projecten, hoe meer ze zich bemoeiden met het beleid van arme landen als Tunesië en Egypte. Dit deden ze ofwel door directe samenwerking met de regimes, of indirect via culturele projecten. Dit laatste is het geval bij de televisiezender Al-Jazeera en vele andere zenders. De landen begonnen met hun invasie van de Arabische media in de jaren negentig. Mede door de vrijzinnige toon en de grote professionele kwaliteit van de programma’s werd een diep gefrustreerd publiek in de gehele regio bereikt. De kritiek betrof willekeurig welk land, behalve die rondom de Golf en nooit Saudi-Arabië. Veel andere televisiezenders werden opgericht met het expliciete doel een uiterst zachte en oppervlakkige versie van de religie te verkondigen waarbij het grootste deel van de zendtijd werd ingenomen door programma’s met preken die een zeer conservatieve en populistische interpretatie van de islam verkondigen. Uit deze twee stijlen groeiden gedurende het laatste decennium op spectaculaire wijze twee vormen van islamisme, met name na de opstand een jaar geleden. De Moslimbroederschap wordt beschouwd als gematigd en meer verwant aan Al-Jazeera. Vaak wordt die zelfs gefinancierd door Katar en lijkt in het bijzonder te worden getolereerd door de internationale gemeenschap. De salafisten zijn radicaler en volgen de Saoedische wahabitische versie van de islam. Deze twee bewegingen vertegenwoordigen de religieuze invloed op het Tunesische en Egyptische politieke spel.

Dit fenomeen is niet nieuw. Steeds wanneer er een grote verandering plaatsvond in enig islamitisch land waren de grote religieuze partijen zeer in het voordeel. Dit was bijvoorbeeld het geval na de Iraanse revolutie, later bij de Algerijnse verkiezingen van 1988 en onlangs bij de splitsing van de Palestijnse Autoriteit na het electorale succes van Hamas. Wat er nu in Tunesië en Egypte gebeurt heeft waarschijnlijk te maken met de speech van Barack Obama vlak na zijn verkiezing toen hij de moslimwereld toesprak en die verzekerde van de vriendschap van de Verenigde Staten. Sommigen, onder wie Tariq Ramadan, geloven inderdaad dat de Arabische Lente niets te maken had met spontane verandering, maar dat die het resultaat was van manipulatie door de CIA. Maar ook als er aanvankelijk nog geen samenzwering was, is  duidelijk dat het machtsevenwicht in zekere zin wordt gecontroleerd.

´De opkomst van de politieke Islam in landen als Tunesië, Marokko en Algerije was slechts een kwestie van tijd. Deze samenlevingen hebben de ogen gericht op een wereld die ze willen bereiken. Wanneer ze daarin falen en zich door diezelfde wereld voelen afgewezen, suggereert Robert Bistolfi , storten ze in een sociale en psychologische crisis: ze schuilen in het diepste van hun veronderstelde identiteit.´

De publieke opinie leek te vereisen dat de politieke islam de macht greep in deze landen: de revolutie in Iran leidde tot het regime van de Ayatollahs, in Afghanistan tot het Taliban-regime van Taliban, in Palestina tot de absurde isolatie van Gaza in een onwettig land onder een onwettige organisatie, in Algerije viel de macht in handen van het FIS (de Algerijnse tak van de Moslimbroederschap). De nieuwe strategie is dan ook om de opkomst van de politieke islam niet te bestrijden,  maar die te reguleren en te controleren. De enige Tunesische politieke leider die bijvoorbeeld voor de verkiezingen de Verenigde Staten bezocht was Rached Ghannouchi, het hoofd van Al-Nahdha. Voor veel mensen was dit het groene licht. Direct of indirect komt de evolutie in Arabische landen dus nooit van binnenuit.

Religie heeft altijd een belangrijke rol gespeeld in hoe samenlevingen zich ontwikkelen. Volgens Borhan Ghalyoun  trok de religie gezamenlijk op met de moderne regeringsvorm die we nu kennen, behalve in Frankrijk, waar de revolutie van 1789 een duidelijke scheiding maakte tussen kerk en staat. Rond dezelfde tijd begon in de moslimwereld een eigen kritiek te ontstaan, zonder de band met de religie geheel te verbreken. Jamal-Al-Din Al-Afhgani (1838-1897) was een van de leiders van deze beweging. De koloniale periode maakte een eind aan deze interne kritiek, waardoor die zich niet meer ontwikkelde. In de tweede helft van de twintigste eeuw begon met de bevrijdingsbeweging een nieuw project, uitgewerkt door een nieuwe elite die was opgeleid in de koloniale imperia (Frankrijk, Engeland, etc.). Dat was het begin van de culturele schizofrenie van de moslimsamenlevingen: spiritueel en psychologisch zijn zij erg traditioneel, maar ze volgen een modern model waaraan ze zich nooit volledig zullen aanpassen.

De opkomst van de politieke Islam in landen als Tunesië, Marokko en Algerije was slechts een kwestie van tijd. Deze samenlevingen hebben de ogen gericht op een wereld die ze willen bereiken. Wanneer ze daarin falen en zich door diezelfde wereld voelen afgewezen, suggereert Robert Bistolfi , storten ze in een sociale en psychologische crisis: ze schuilen in het diepste van hun veronderstelde identiteit. Wat er nu gebeurt is dat die samenlevingen op zoek gaan naar die eigen identiteit, als die er al ooit is geweest.

Dat is waarom het voornaamste debat zich afspeelt tussen twee trends: de zogenoemde seculiere en de religieuze. De eerste heeft betrekking op het erfgoed van de verwesterde elite; de andere graaft in het onderbewuste van het collectieve bewustzijn, op zoek naar verenigende factoren. Zoals alle belangrijke veranderingen zette de Arabische Lente de klok weer op nul. Iedereen moet nu omgaan met allerlei soorten verschillen; waarbij allerlei partijen elkaar afwijzen vanwege allerlei soorten extremisme. De een wordt van atheïsme beschuldigd; een ander van  obscurantisme. De een verbindt democratie en moderniteit aan laïcs; de ander vindt dat secularisme een breuk is met de authentieke culturele identiteit van het land, ofwel met de religie.
Dit is echter contraproductief: de tegenstelling tussen democratie en geloof is een doodlopende weg. Iedereen moet dus nuance aanbrengen in zijn overtuigingen en ideologische compromissen en politieke spelletjes van coalities accepteren. Uiteindelijk komt daar misschien iets uit wat daartussenin is. Dit alles zal echter alleen mogelijk zijn zonder bemoeienis van buitenaf, bemoeienis van de oliedollar van de archaïsche landen rondom de Golf wier stabiliteit afhangt van het verbond tussen enerzijds priesterschap en stamleiderschap, en traditioneel, ongebreideld kapitalisme anderzijds. Maar daarvoor zullen we in een andere wereld moeten leven.

Noten:

1- Burhan Ghalioun, is de voorzitter van de Syrische oppositie Nationale Overgangsraad. Ik verwijs naar zijn artikel: «Islam, modernité et laïcité dans les sociétés arabes contemporaines », Confluences Méditerranée, N°33, Printemps 2000.
2-  Robert Bistolfi, «L’islam et la Cité, l’Islam dans la cité», Confluences Méditerranée, N°33, Printemps 2000.

English version: Political Islam, a matter of hegemony

This entry was posted in Islam, Middle East. Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

You may use these HTML tags and attributes: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>