Als kunst verwordt tot een Sales Pitch

Umberto Eco ging in de jaren zeventig eens op reis naar de VS. Hij had het geweldige plan om nationale musea en attractieparken te bezoeken en er werd een boek uitgebracht over deze reis, met de inspirerende titel Reizen door Hyperrealiteit. Het hoofdonderwerp was dat kopieën van werkelijke objecten de fantasie van het publiek blijkbaar prikkelen, en het enkele feit dat een werkelijk object wordt gepresenteerd in een artificiële ruimte levert een versterking van gevoelens op, zoals afgrijzen, schoonheid, angst of inspiratie. Onder de kopieën en reconstructies de hij onder de loep nam waren het Oval Office van president Lyndon Johnson, een middeleeuws heksenlaboratorium, een standbeeld van de Mona Lisa en een kopie van de Venus van Milo. Eco’s conclusie was, dat de cultuur van namaak is gebaseerd op het idee van hervonden realiteit.

Als je dit boek uit 1975 nu leest, zie je ook hoe een regio een manie ontwikkelt om de belangrijkste attractie van de wereld te worden en om die reden alles koopt, ook al is het niet noodzakelijk authentiek. Wat zo fascinerend is aan Amerikaanse parken en musea is dat de kopiën zo waarheidsgetrouw zijn. Tegenwoordig heeft de cultuur van de namaak zich echter verplaatst naar een ander deel van de wereldbol: de rijke koninkrijken aan de Golf zoals Koeweit, Katar, Bahrein en Saoedi-Arabië. Met deze verplaatsing nemen we een stap verder van de realiteit waar: waar de Amerikaanse cultuur van het vermaak is gebaseerd op het principe van de perfecte kopie, is in de nieuwe landen van de namaak de kopie van de kopie op de een of andere manier ook fascinerend. Las Vegas heeft zijn eigen kopie van de Egyptische Piramides; dat is fascinerend. Als je kijkt naar de grote steden in de Golfstaten, krijg je het gevoel dat ze kopieën maken van Las Vegas.

´Wat zo fascinerend is aan Amerikaanse parken en musea is dat de kopiën zo waarheidsgetrouw zijn. Tegenwoordig heeft de cultuur van de namaak zich echter verplaatst naar een ander deel van de wereldbol: de rijke koninkrijken aan de Golf zoals Koeweit, Katar, Bahrein en Saoedi-Arabië.´

Het is niet verrassend dat men in een stad de economische welvaart wil combineren met de cultuur van het vermaak. Maar waar het gaat om kunst, kan er wel een probleem ontstaan. Wanneer we het Louvre of het Guggenheim binnengaan, weten we onmiddellijk dat we een fascinerende wereld van de simulacra zijn binnengetreden, dat we de realiteit hebben verlaten. Maar over een paar jaar is er niet meer één enkel Louvre, dat in Parijs, en ook maar één  Solomon R. Guggenheim Museum, namelijk dat in New York, want kopieën van beide musea zullen binnenkort worden geopend in Abu Dhabi. Wanneer je een van die kopieën binnen gaat, weet je dus dat je een dubbel gelaagd simulacrum bent binnengetreden. Welk uiterst fascinerend effect zal dat teweeg brengen?

Er is iets wat nog intrigerender klinkt. In de wereld van musea en culturele instellingen is het gebruikelijk tentoonstellingen en collecties uit te wisselen. De Nationale Musea van de Verenigde Arabische Emiraten (VAE) zouden normaal gesproken dus een samenwerkingsverband met deze prestigieuze musea kunnen ontwikkelen. Is het nodig van al deze musea een kopie te maken? Waarin zit de prestige? In het bezitten van kopieën, of in de aantrekkingskracht op de hele wereld? Wat is eigenlijk het nut van die kopieën? Om een echte kunstzinnige dynamiek te ontwikkelen, of om de regio te vullen met kunstwerken?

Dit alles heeft echter meer te maken met de kunstmarkt dan met culturele en artistieke zorg. Paul Cézannes De Kaartspelers en Mark Rothko’s Witte Centrum zijn niet meer te bewonderen in de meest prestigieuze galeries van New York, Londen en Parijs; ze bevinden zich vanaf nu in Katar. Het eerste schilderij werd gekocht voor het luttele bedrag van 72.840.000 dollar; het andere lijkt te zijn verkocht voor 250 miljoen. Rothko’s werk was in 1998 en 1999 voor het laatst te zien in Westerse galeries, toen het van de National Gallery in Washington eerst naar het Whitney Museum of American Art in New York werd gebracht voordat het aankwam in het Musée d’Art Moderne in Parijs. De laatste reis, naar het Oosten, was iets recenter; vanaf nu kan het werk worden bekeken in de galeries van Doha, de hoofdstad van Katar, of in een of andere privécollectie daar.

Niet alleen kunstwerken emigreren naar de Perzische Golf, dat doen ook de grote spelers in de kunstwereld en op de kunstmarkt. De grootste bedrijven zijn aan het globaliseren; de Fine Art Fund Group uit London opereert nu in de regio via een partnerschap met NBD, de Emiraatse bank gevestigd in Dubai. Anderen, zoals JPMorgan Chase en Deutsche Bank, hebben ook kunstfondsen opgezet in de regio. Iedereen heeft of wil zijn vestiging in het Midden-Oosten hebben in het internationale financiële centrum van Dubai of in een van de hoge torens van Koeweit, Abu Dhabi, Riyad of Jeddah. Kijk er niet van op als u beroemde kunstenaars als de Japanse pop-artist Takashi Murakami of de Franse beeldhouwster Louise Bourgeois ziet exposeren in de musea van deze steden: met een waarde van 11 miljard wordt de groeiende markt van het Midden-Oosten het centrum van de mondiale kunsttransacties, voorspelt Sarah Hamdan, journalist bij de New York Times.

´Het lijkt alsof de aantrekkingskracht van de Golf op de kunstwereld een Faustiaanse is: je treedt de nieuwe steden binnen en je aanvaardt de wereld van namaak en illusie waarin je je begeeft. Het zijn allemaal Las Vegas’ van het Middenoosten.´

Wat geldt voor kunst, geldt ook voor veel andere cultuur, bijvoorbeeld voor film. Dubai, Abu Dhabi en Doha hebben allemaal hun eigen internationale filmfestivals, die steeds groter worden, waarop ze de meest recente films kunnen vertonen en de grootste sterren kunnen uitnodigen. De prijzen op deze festivals is een belangrijke reden voor iedere filmmaker om deel te nemen: ze variëren van 20.000 dollar voor beste acteur/actrice to 100.000 dollar voor beste film. Dergelijke hoge prijzen zijn er nergens anders, zelfs niet op prestigieuze festivals als die van Cannes, Berlijn of Venetië; alleen in dit deel van de wereld mag je geloven in de sprookjes van 1001 nacht. Op deze manier hebben deze jonge festivals ook de leidende rol weten te ontfutselen aan aan de prestigieuze oudere festivals in de zogenoemde Arabische wereld, zoals het Carthage Film Festival  (Tunesië) en dat van Cairo (Egypte).

Het lijkt alsof de aantrekkingskracht van de Golf op de kunstwereld een Faustiaanse is: je treedt de nieuwe steden binnen en je aanvaardt de wereld van namaak en illusie waarin je je begeeft. Het zijn allemaal Las Vegas’ van het Middenoosten. Reis door willekeurig welke hoofdstad een koninkrijkje rond de Golf, Koeweit, Bahrein, de Emiraten, en je hebt het gevoel dat je je bevindt in een van de aantrekkelijke wijken, of zelfs in de casino’s van een Amerikaanse stad. In slechts enkele decennia zijn honderden wolkenkrabbers letterlijk op het zand gebouwd; architectuur en stijlen komen voort uit allerlei soorten fantasie: je bevindt je in een wereld van superlatieven. Ook daarom is het geen verrassing dat het hoogste gebouw in de wereld zich niet bevindt in New York, Parijs of Londen: het hoogste gebouw is niet langer de Freedom Tower in New York, maar Burj Dubai in de VAE. Je ontkomt niet aan het gevoel dat het te gemakkelijk is, dat het vooral heel veel weg heeft van het bouwen van speelgoedsteden op lege plekken door middel van enorm veel techniek en menselijk vernuft. Maar de voornaamste reden dat je versteld staat, is de geur en de kleur van het geld; het is alsof al deze gebouwen zijn gemaakt van bankbiljetten en munten.

De Italiaanse schrijver poneerde een stelling die onbetwistbaar van toepassing is op deze situatie: als het op kunst aankomt, is de wereld van de namaak gebouwd op de grondvesten van de ‘sales pitch’: wat maakt dat de waarde van kunstwerk toeneemt, is dat het door de ene rijke persoon van de andere rijke persoon wordt gekocht. Dit hoeft echter niet te betekenen dat de koper en verkoper noodzakelijkerwijs de artistieke waarde kennen van wat ze verhandelen. Ze zijn cliënten van internationale agentschappen die indit soort transacties zijn gespecialiseerd.

De veilinghuizen, zoals het filiaal van de beroemde, in Londen gevestigde, veilingmaatschappij Christie’s, reguleert de circulatie van de collecties en beheerst de gehele markt. De vraag is dan: wie gebruikt wie? Zijn het de rijke emirs die de maatschappijen gebruiken om toegang te krijgen tot de wereld van de kunsthandel, of is het vice versa en gebruiken de bedrijven het geld van de rijkste families in de Golf om de waarde van de kunstwerken op te drijven of ze opnieuw op de markt te introduceren?

Op een meer wereldwijd niveau gaat het in dit verband ook om transacties tussen rijken. De hele filosofie achter het bouwen van grote bouwwerken is gebaseerd op het meest barbaarse westerse kapitalisme. De grootste bouwprojecten van onze tijd zijn symbolen van commerciële welvaart: iedere florerende stad heeft zijn eigen World Trade Center(s) en van alle hoogste gebouwen in de wereld, staan de meeste in de Golf: Alhamra Firdaous Tower (Koeweit Stad), Etihad Towers (Abu Dhabi), Burj Khalifa (Dubai), Infinity Tower (Dubai), The Kingdom Tower (Jeddah).

Daarmee wedijveren ze met de grote wereldhandelscentra als die van Shanghai en Singapore. Handel en de bouw van torens gaan altijd hand in hand. Waar en wanneer er ook maar geld is, is er een behoefte om de grootste te zijn. In elk tijdperk heeft de mens geprobeerd groter te zijn dan zijn buurman en ieder farao wilde een grotere piramide. In onze tijd hebben we onze eigen farao’s. Als je kijkt naar de steden in de Golfregio, dan zie je dat ze ook onderling concurreren. Ze proberen allemaal de Amerikaanse wolkenkrabbers na te maken: de Freedom Tower of het Empire State Building, en uiteindelijk lijken alle hoofdsteden van deze koninkrijkjes en emiraten op de wijken van een metropool.

Dit kopiëren heeft tot op zekere hoogte te maken met overdaad: torens en de woestijn liggen elkaar niet. Vanuit een oogpunt van stadsplanning worden wolkenkrabbers geassocieerd met grote metropolen met miljoenen inwoners, maar al deze landjes hebben een kleine bevolking: Katar, bijvoorbeeld, heeft niet meer dan 300.000 staatsburgers en Dubai heeft maar nauwelijks een miljoen inwoners. Wat de bouw van zulke frivoliteiten rechtvaardigt en of ze tegemoetkomen aan een werkelijke behoefte, hangt af van wie ze bouwt.

Vaak, zo niet altijd, komen de architecten uit het Westen. Adrian Smith + Gordon Gill Architecture, Skidmore en Owings & Merrill waren verantwoordelijk de belangrijkste projecten, de kopie van het Louvre is ontworpen door de Franse architect Jean Novel en die van het Guggenheim door de Canadese architect Franck Gerry.

Culturele projecten worden in de meeste gevallen geleid door mensen van buitenaf. Jean-Paul Engle verliet het prestigieuze veilinghuis Christie’s (Londen) voor een profijtelijker positie als directeur van kunstprogramma’s bij de Qatar Museum Authority in Doha. De directeur van het Abu Dhabi Film Festival is de Amerikaan Peter Scarlet en de eerste directeur van het Dubai International Film Festival was de Britse Simon Field, voormalig directeur van het Internationaal Film Festival Rotterdam. Het Doha Tribeca Film Festival lijkt een partnerschap te zijn tussen het Doha Film Institute en het in New York gevestigde Tribeca Enterprise. Zowel het festival als het instituut worden geleid door de Amerikaanse journalist Amanda Palmer.

Al deze projecten en de manier waarop ze worden opgezet geven de indruk van een ‘onderaannemercultuur’. Of het nu gaat om architectuur of andere culturele projecten, het gaat altijd om een nepkopie van nep. Kort gezegd: het is alsof je een leeg stuk land hebt dat je gevuld wilt hebben. Je vult het eerst met handels- en zakengebouwen. En wanneer je genoeg (zwart) goud hebt, dan kun je luxere producten kopen, zoals kunstwerken en kunstprojecten. Maar als dat alles niet werkelijk is geassimileerd, niet werkelijk is aangepast, dan is het resultaat een soort hysterische karikatuur van cultuur en moderniteit. In dat spel is geld hét middel om minder bedeelde landen voorbij te streven die in het verleden een belangrijke culturele traditie wisten op te bouwen: Egypte, de Maghreb en Syrië. Als je in staat bent de beste professionals en de meest ervaren programmeurs rekruteren, is het eenvoudig je naar het centrum van de wereld te bewegen – of in ieder geval te doen alsof.

Wat zorgt ervoor dat deze futuristische oases zo opdoemen in het niets als in een sciencefictionfilm? Het gebied waar het om gaat was tot de jaren zestig niet meer dan een woestijn met bedoeïenen en vissers. Sommige van hen waren vroeger gelukkiger, omdat ze toen naar parels visten. Sinds de ontdekking van de olie zijn de torens als palmbomen uit de grond gestampt, maar ze zijn gemaakt van metaal en gewapend beton. En binnen enkele decennia zijn deze koninkrijkjes opgekomen als nieuwe machten in de regio, precies op het kruispunt van oude beschavingen als Mesopotamië, Perzië en het Romeinse rijk in het noorden en het Jemenitische in het zuiden. Tegenwoordig zijn ze een sterke macht binnen de regio. Ze erfden de historische religieuze macht – Mekka, de heilige stad van de Islam ligt in Saoedi-Arabië. In economisch opzicht zijn ze zo sterk, dat ze zich kunnen opwerpen als leiders van de regio die zich uitstrekt van het Midden-Oosten tot de Maghreb en van de Perzisch Golf tot de Afrikaanse kust van de Atlantische Oceaan.

Umberto Eco had natuurlijk gelijk toen hij sprak over de macht van het geld in de kunstwereld in het algemeen. Maar als je vanuit het perspectief van de wereldorde kijkt naar wat er gaande is in de Golf, zou je wel eens kunne denken dat het culturele beleid niet los staat van bepaalde andere plannen. De Golfstaten zijn organisch verbonden met de Westerse economieën in het algemeen en met de Amerikaanse in het bijzonder. Zij zijn de voornaamste leverancier van energie, zij behoren tot de belangrijkste kopers en zij zijn ook de politiek strategische bondgenoten in de regio. Het leiderschap dat landen als Katar en Saoedi-Arabië hebben, is concreet en duidelijk zichtbaar in de manipulatie van de huidige Arabische opstanden die zij proberen te smoren. En dat is nog maar het topje van de ijsberg, als je beseft dat hun invloed al decennialang duurt.

In dit spel is cultuur van secundair belang. Eén ding wordt duidelijk als je het in ogenschouw neemt: de werkelijke intentie om lokaal talent te ontwikkelen zodat in deze regio er iets authentieks kan ontstaan, is afwezig. Wat telt is de commercie, en als cultuur verkoopt, waarom  ook niet? Zolang de pompen blijven werken, kan deze situatie blijven bestaan. Maar op het moment dat auto’s een andere brandstof dan olie beginnen te gebruiken, als de natuurlijke hulpbronnen van de wereld opdrogen en er geen monopolie meer is zoals nu, wordt dat anders. Want niemand heeft het monopolie zon of wind.

Sarah Hamdan, ‘An Emirate Filling Up With Artwork’, in de New York Times van 29 Februari 2012.
Umberto Eco, Travels in Hyperreality, San Diego, Harcourt Brace Jovanovich, 1986.

This entry was posted in Middle East, Politics, West. Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

You may use these HTML tags and attributes: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>