Reflecties over het ontstaan van de Egyptische revolutie

Alaa Al Aswani (1957) is wellicht de bekendste Egyptische schrijver van het ogenblik. Zijn roman Het Yacoubian (2002), een kritisch en carnavalesk panorama van de moderne Egyptische samenleving, werd ook internationaal een bestseller. In Egypte werd het boek verfilmd en tot een televisieserie verwerkt. Al Aswani volgde een opleiding tot tandarts in Chicago en over die stad schreef hij in 2007 een gelijknamige roman. Beide boeken werden in het Nederlands vertaald. Vorig jaar verscheen ook de Nederlandse vertaling van Eigen vuur (2004), een bundel korte verhalen waarvan vooral Het Isam Abdelatiedossier de aandacht trok. In dat verhaal komt een personage aan het woord dat een vernietigende kritiek geeft op de Egyptische samenleving. Het boek werd onmiddellijk door de Egyptische overheid gecensureerd.

Naast tandarts en schrijver is Al Aswani ook politiek actief. Zo is hij medeoprichter van de politieke beweging Kefaya (Genoeg). Die beweging ontstond als gevolg van de Tweede Intifada eind 2000 en werd in 2003 de ruggengraat van het verzet tegen de oorlog in Irak. In 2004 kreeg ze de naam Kefaya en richtte zich op de pogingen van de Egyptische regering om de zoon van Moebarak als diens opvolger naar voren te schuiven. Nadat Moebarak in 2005 voor een vijfde ambtstermijn werd verkozen, verloor de beweging aan kracht. Ze kreeg onder andere het verwijt een te smalle basis te hebben – het intellectuele milieu in Caïro – en zich te veel te concentreren op de figuur van Moebarak zonder met hervormingsvoorstellen te komen. Niettemin was het ontstaan van Kefaya een belangrijk moment in de opbouw van het protest tegen Moebarak. Een van de stichters, Hany Anan, verklaarde: ‘We are showing Egyptians that we can challenge the ruler, we can tell him we don’t want you, that’s enough, you go, and we can do this in public and still go back to our homes, maybe with some wounds or some bruises, but we still go home.’

In 2010 verzamelde  Alaa Al Aswani een aantal politieke commentaren die hij in de Egyptische krant Shorouk publiceerde. Hij  schreef ze tussen 2008 en 2010, dus in de periode die voorafging aan de Arabische Lente. Voor velen kwamen die opstanden als een donderslag bij heldere hemel; zelfs veel kenners van de Arabische wereld waren totaal verrast door de gebeurtenissen in Tunesië  en onmiddellijk daarna in Egypte: twee dictators die in enkele weken tijd van het politieke toneel verdwenen na massaal protest van de straat. Wie de commentaren van Al Aswani leest, beseft echter dat er in Egypte al jarenlang iets broeide.

Niet toevallig eindigt Al Aswani ieder krantenstuk met dezelfde zinsnede die een soort van rijm wordt: ‘Democratie is de oplossing’. In tegenstelling tot vele anderen geloofde Al Aswani wél in de mogelijkheid van een opstand tegen het regime: ’Ik was er zeker van dat de revolutie aanstaande was. Veel van mijn Egyptische en buitenlandse vrienden waren dat niet met me eens  en beschuldigden me van misplaatst optimisme en een onrealistische vorm van romantiek. Geen moment verloor ik mijn vertrouwen in het volk, hoewel het niet gestaafd werd door enig bewijs,’ schrijft Al Aswani in zijn inleiding. Al Aswani begreep ook dat de opstand niet geweldloos zou zijn: ’Rechten worden niet verleend maar veroverd.” schrijft hij met veel wijsheid en inzicht in het wezen van de politieke strijd, want ‘(w)at Egyptenaren vragen is niet een beperkte wijziging in de politiek maar een allesomvattende, radicale hervorming.’

Al Aswani’s vertrouwen in het Egyptische volk blijkt uit iedere pagina en wordt soms beeldend uitgedrukt: ‘Egyptenaren zijn als kamelen: ze kunnen slaag, vernedering en uitputting een lange tijd verdragen maar als zij dan in opstand komen doen ze dat zo plotseling en met zo’n kracht, dat je die gewoon niet kunt bedwingen.’ Het Egyptische volk is onder de pen van Al Aswani natuurlijk ook een idealistische notie: het is meer de uitdrukking van zijn verlangen naar een volk dan de beschrijving van een concreet bestaand volk. Zo heeft Al Aswani het eveneens regelmatig over de ‘ware islam’. Ook die islam is  meer het voorwerp van een verlangen dan van een beschrijving. Soms incarneert dat ideaalbeeld zich in een historisch moment, zoals voorjaar van 2011 op het Tahrirplein: ‘De mensen die ik op Tahrir zag waren nieuwe Egyptenaren, die niets te maken hadden met de Egyptenaren waar ik normaal gesproken iedere dag mee te maken heb. (…) Op Tahrir zag ik het hele Egyptische volk vertegenwoordigd: Egyptenaren van alle leeftijden en achtergronden, kopten en moslims, jongeren en ouderen, kinderen, vrouwen in Nikab en vrouwen zonder, rijken en armen. (…)  Een sfeer van volledige tolerantie zorgde ervoor dat de demonstranten iedereen die anders was accepteerden en respecteerden.

We mochten dan verschillende opvattingen en ideologieën hebben, het belangrijkste was dat we allen hetzelfde doel hadden: de dictator  ten val brengen  en vrijheid voor Egypte verkrijgen.’ Al Aswani vergelijkt de gebeurtenissen op en de organisatie van het Tahrirplein met de Parijse Commune (1871). Na twee maanden werd die volksopstand echter bloedig onderdrukt. Het Egyptische volk slaagde er weliswaar in om de dictator te verdrijven, maar of daarmee de revolutie is voltooid is nog maar de vraag. Egypte staat inmiddels helaas ver van de eensgezindheid die enkele mythische dagen lang op het Tahrirplein heeft geheerst.

In zijn commentaren uit 2008-2010 schetst Al Aswani Egypte als een land in een oceaandiepe  politieke, sociale, economische, religieuze en culturele crisis. De kwestie van de erfopvolging (waarbij de zoon van Moebarak vooruit werd geschoven als de volgende president), het machtsmonopolie van de familie Moebarak, de wijdverspreide corruptie, het repressieve politieapparaat, de werkloosheid, de enorme armoede, het verval van de gezondheidszorg en het onderwijs, de radicalisering van de islam, de verzuring van het openbare leven: het is geen fraai beeld dat Al Aswani van zijn land schetst. De Arabische titel van zijn bundel commentaren luidt niet toevallig: Waarom komen Egyptenaren niet opstand?

Anno 2010 onderscheidt Al Aswani een drietal mogelijke verklaringen waarom de Egyptenaren niet tegen het hun aangedane leed reageren. Een eerste verklaring is dat de aanhoudende onderdrukking de Egyptenaren opgezadeld heeft met een erfenis van lafheid en onderworpenheid. Een tweede verklaring is dat de revolutie wel mogelijk is, maar wordt tegengehouden door talrijke obstakels: de onderdrukking, de gebrekkige organisatie van de massa’s, de concentratie op het eigen materiële overleven. Veel Egyptenaren gaven de voorkeur aan vluchten: ze gingen naar de oliestaten om daar te werken of trokken zich terug in de religieuze idealisering van de beginperiode van de islam: ‘Met behulp van Saoedisch oliegeld en de zegen van het Egyptische regime werd er een agressieve promotiecampagne gevoerd voor de wahabitische interpretatie van de islam, die moslims verplicht hun heerser te gehoorzamen, hoe onrechtvaardig of corrupt hij ook is.’ Maar voor Al Aswani ligt de werkelijke verklaring voor het uitblijven van de revolutie in de aard van de Egyptenaren zelf. Ze zouden minder geneigd zijn om geweld te gebruiken en daardoor meer bereid zijn om compromissen te sluiten.

Het hierboven aangehaalde beeld van de Egyptenaren als kamelen spreekt voor zich. Daarmee verklaart Al Aswani echter eigenlijk niets. Moeten we ervan uitgaan dat er zoiets bestaat als de eigen aard van een volk die niet door historische gebeurtenissen en historische ervaringen is getekend? De sociale en economische verklaringen zijn overtuigender dan een verwijzing naar de eigen aard. Het feit dat Egypte niet alleen staat in zijn revolutionair verlangen versterkt dit.

De politieke,  economische en culturele analyse die Al Aswani maakt van Egypte gaat op voor veel Arabische landen, waarin de combinatie van corruptie, politieke hypocrisie, onderdrukking, religieus extremisme, werkloosheid en armoede tot een explosieve revolutionaire cocktail heeft geleid. Het valt trouwens op dat Al Aswani in zijn inleiding niet verwijst naar de opstand in Tunesië, die voor de revolte in Egypte ongetwijfeld als een model moet hebben gefunctioneerd. De verwijzing naar de aard van het Egyptische volk is in deze context een wat vreemde gedachtenkronkel van Al Aswani, precies omdat hij elders in zijn commentaren steeds de nadruk legt op de impact van de erbarmelijke politieke, economische en sociale context op de moraal van de Egyptenaren!

Al Aswani schrijft helder, coherent en direct. Meer dan eens structureert hij zijn commentaren door zijn argumenten te nummeren: ten eerste, ten tweede, ten derde, et cetera. Hij kent de Egyptische maatschappelijke situatie zeer goed. Zijn status als bekend en gerespecteerd schrijver geeft hem toegang tot de allerhoogste kringen en zijn beroep als tandarts brengt hem dan weer in contact met de gewone Egyptenaar. Van die beide ervaringen maakt hij dankbaar gebruik om de samenleving door te lichten. Hij schrikt er daarenboven niet voor terug om ministers bij naam te beschuldigen en te bekritiseren.

De gebundelde commentaren zijn in drie hoofdstukken verdeeld. In het eerste hoofdstuk concentreert Al Aswani zich op de figuur van Moebarak en op de kwestie van zijn opvolging. In het tweede hoofdstuk schrijft Al Aswani over het volk en over sociale rechtvaardigheid. Hier worden thema’s als de positie van de vrouw, het fundamentalisme en de plek van de Kopten aan bod. In het derde hoofdstuk gaat Al Aswani in op de vrijheid van meningsuiting en de onderdrukking door de staat. Aan de hand van die drie invalshoeken schildert Al Aswani, zoals gezegd, een somber beeld van de eigentijdse Egyptische samenleving. Je kan zeggen dat de kwestie van de opvolging van Moebarak intussen is geregeld. Dat klopt: Egypte moet op dit ogenblik geen schrik meer hebben van een mogelijke presidentiële erfopvolging of van een machtsmonopolie van de familie Moebarak. Maar de grote uitdagingen voor het land liggen wellicht in een noodzakelijke mentaliteitsverandering (rond bijvoorbeeld de omgang met vrouwen of de interpretatie van de islam).

Al Aswani staat een humanisme voor, maar beseft ook dat een loutere oproep tot een ethisch réveil niet helpt zonder de noodzakelijke politieke hervormingen: ‘We kunnen mensen niet vragen hun plichten te vervullen terwijl ze niet eens de meest elementaire rechten genieten. We kunnen mensen niet verantwoordelijk houden als we hun niet een minimum aan rechten verlenen.’

Al Aswani schreef deze politieke commentaren in de twee jaar die aan de Arabische Lente voorafgingen. Als men ze leest vanuit de huidige situatie vallen enkele meningen van Al Aswani bijzonder op. In veel stukken spreekt Al Aswani zijn lof uit over de morele integriteit, de intellectuele capaciteiten en de leiderskwaliteiten van Mohamed El Baradei. Hij schrijft hem ook een grote vertrouwdheid met het Egyptische volk toe. Op zijn beurt zou het volk, volgens Al Aswani, veel vertrouwen hebben in El Baradei. In de periode 2008-2010 is El Baradei voor Al Aswani dus de meest geschikte opvolger van Moebarak, maar El Baradei is intussen volledig van het politieke toneel verdwenen en zal niet deelnemen aan de toekomstige presidentsverkiezingen, niet in de laatste plaats omdat hij geen basis had onder het volk.

Na de val van de dictator was er slechts één politieke groep goed georganiseerd: de Moslimbroeders, en zij kwamen als grote overwinnaars uit de bus. Tijdens de verkiezingen manifesteerde zich daarnaast een tweede belangrijke religieuze groepering: de extremistische salafisten. De liberale partijen hinken op dit ogenblik ver achterop in het Egyptische politieke landschap. Het is daarom opvallend dat Al Aswani in zijn commentaren uit 2008-2010 de politieke rol van de Moslimbroeders lijkt te minimaliseren. In november 2009 schrijft hij: ‘Wat de Moslimbroederschap betreft, kan gesteld worden dat het Egyptische regime diens rol en invloed sterk overdreven heeft. Het heeft de Broederschap neergezet als boeman om de westerse landen zo veel angst aan te jagen dat ze meegingen in de dictatuur en de opvolgingskwestie. De Moslimbroederschap is, als het gaat om aantallen en invloed, niet in staat een meerderheid te verwerven in wat voor vrije verkiezingen dan ook maar, war mensen opkomen om te stemmen.’ Hij voegt hier verder nog aan toe: ‘Democratische hervormingen zijn voldoende om religieus extremisme te doen verdwijnen.’ Is Al Aswani hier veel te naief en te optimistisch? Komen in zijn opvatting over de populariteit van El Baradei en van de Moslimbroeders zijn dromen de plaats in van de werkelijkheid? Het is wachten op een volgende bundeling van commentaren om te zien hoe Al Aswani zijn positie bijstelt.

Alaa Al Aswani, Over Egypte. Reflecties op het ontstaan van de revolutie, De Geus, 2011, ISBN 978 90 445 1986 0

This entry was posted in Middle East, Politics. Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

You may use these HTML tags and attributes: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>