De films van Elia Suleiman als voorboden van de Arabische revoluties

Een zoektocht in het emotionele universum waarin de Arabische Lente eindelijk tot bloei kon komen.

Stel dat Bashar al-Assad overeind blijft en alle heroïsche Syrische offers voor niets zijn geweest. Stel dat de volgende president van Egypte een voormalige handlanger van president Hosni Mubarak is. Stel dat de islamisten Egypte overnemen, of Tunesië, of Syrië.

 

”Is de Arabische Lente nu al omgeslagen in een winter? Hebben de contrarevolutionaire krachten (de Saoedi’s, Amerika, de Russen, de Islamitische Republiek, Israël en de overgebleven Arabische potentaten) het tij gekeerd en de volksopstand gekaapt?”

En is Ali Abdullah Saleh werkelijk afgezet? Misschien trekt hij in Jemen achter de schermen nog steeds aan de touwtjes. En hoe zit het met Bahrein? Waarom praat bijna niemand meer over de gewelddadige onderdrukking van de Arabische Lente op dat kleine eiland, de thuishaven van de Amerikaanse Vijfde Vloot? Spannen de Saoedi’s en de Golfstaten niet samen met Amerika, Europa en Israël om deze revoluties de kop in te drukken, of om ze te kapen? Er zijn berichten dat prominente activisten uit Bahrein, zoals Nabeel Rajab, door veiligheidstroepen uit Egypte worden geweerd uit angst dat ze gaan samenwerken met de regionale revolutionairen.

Is de Arabische Lente nu al omgeslagen in een winter? Hebben de contrarevolutionaire krachten (de Saoedi’s, Amerika, de Russen, de Islamitische Republiek, Israël en de overgebleven Arabische potentaten) het tij gekeerd en de volksopstand gekaapt? Op links zijn er mensen die denken dat dit nu al het geval is, en op rechts doen sommigen hun uiterste best om het te laten gebeuren.

Er zijn veel ontmoedigende tekenen, maar alleen als we alles benaderen vanuit een lineair idee van de geschiedenis, van de rede, van de menselijke vooruitgang. Als we de gebeurtenissen langs een denkbeeldige, chronologische lijn leggen, is het beeld als volgt: Ben Ali viel, toen Mubarak, toen Gadaffi, toen Ali Abdullah Saleh en nu zit het Syrische regime in de problemen. De één na de ander, dus. Als deze lineaire orde niet wordt voortgezet, of niet wordt voortgezet langs het model van een totale revolutie die morgen resulteert in vrije, democratische socialistische republieken, dan zullen de contrarevolutionairen het tij hebben gekeerd en zijn de revoluties mislukt. Dat is het idee.

Maar de Arabieren dromen, net als zo veel andere volkeren, al heel lang van deze opstanden. En net als alle andere dromen, worden ook deze geïnterpreteerd door de dromers zelf, de visionaire Arabische kunstenaars, dichters, kritische denkers, filosofen en filmmakers.

Dromen volgen geen lineair traject – en ook hun interpretaties moeten niet rechtlijnig zijn.

Dromen van vele naties

Een klein decennium geleden was ik betrokken bij de organisatie van een groot Palestijns filmfestival aan Columbia University van New York, waar ik docent ben. Nadat het evenement was beëindigd, in januari 2003, namen we ons festival mee naar vijf toonaangevende steden in bezet Palestina. En ongeveer een jaar later bezocht ik een aantal Palestijnse vluchtelingenkampen in Libanon en Syrië waar ik onder moeilijke (bijna onmogelijke) omstandigheden Palestijnse films vertoonde voor een Palestijns publiek. Aan de hand van een aantal essays over de Palestijnse film, die verschillende collega’s op mijn verzoek hadden geschreven, werd vervolgens onder mijn redactie de bundel Dreams of a Nation: On Palestinian Cinema (2006) gepubliceerd. Mijn eigen bijdrage aan deze bundel ging over de prominente Palestijnse cineast Elia Suleiman. Ik besloot met: “Morgen, als Palestina vrij is, zal Elia Suleiman er allang wonen.” Dit was een half decennium voor de opbloei van de Arabische Lente.

Palestina is niet vrij, nog niet. Maar de Arabische wereld is ontwaakt in een lente van democratisch verlangen – een intifada in Palestijnse stijl, zou je kunnen zeggen, die met de woorden die ons ter beschikking staan onzegbaar zijn en zich voorbij de horizon van onze beperkte verbeeldingskracht bevinden. We moeten ons wenden tot onze creatieve en kritische dichters, kunstenaars, toneelschrijvers en filmmakers om geestelijk gevoed te worden. Zij moeten ons helpen te begrijpen waar we getuige van zijn, want zij droomden namens ons, toen wij dachten dat de geschiedenis ons in de steek had gelaten.

Meer dan een jaar na het uitbreken van de Arabische revoluties, in een periode dat de contrarevolutionairen gestaag aan kracht winnen, moeten we teruggaan naar de dromers die zo’n belangrijke bijdrage hebben geleverd, om te kijken hoe de revoluties moeten worden geduid, hoe de verraderlijke weg voorwaarts betreden kan worden en hoe we voorbij de tijdelijke obstakels en teleurstellingen kunnen navigeren.

In een eerder stuk, voor de website van Al Jazeera , gaf ik een raadselachtige doch prikkelende scène uit de film Divine Intervention (2002) van Elia Suleiman als voorbeeld van de rijke, creatieve voedingsbodem waarop de Arabische Lente tot bloei kon komen. Maar er valt meer, veel meer te herontdekken in het oeuvre van deze geraffineerde Palestijnse filmmaker.

In het middelpunt van Elia Suleimans levenslustige en uitdagende films staat een ontwapenend personage dat we alleen kennen als ES, gespeeld door Elia Suleiman zelf. ES lijkt samen te vallen met Elia Suleiman, maar hij is tevens de onkenbare en volledig autonome verteller van de realistische en surrealistische gebeurtenissen in het niemandsland dat het bezette Palestina is. De voornaamste eigenaardigheid van ES is dat hij nooit praat. Hij kijkt alleen maar. Soms maakt hij gebaren, maar nooit zegt deze vreemde man iets. We kennen hem al een tijd, van films als Chronicle of Disappearance (1996), Divine Intervention (2002) en The Time that Remains (2009). Hierdoor zijn we gewend geraakt aan zijn vreemde, zwijgende verschijning.

Hij valt uit de toon in zijn leefomgeving, maar is daar vreemd genoeg toch thuis. Hij is niet doofstom en lijdt ook niet aan een spraakstoornis – voor zover we weten, tenminste. Het is alleen zo dat hij nooit praat. Misschien heeft hij, op het moment dat hij op het doek verschijnt, geen reden om iets te zeggen, of geen aandrang daartoe. Hij ondergaat het traumatische dagelijkse leven van de Palestijnen in hun bezette thuisland en kijk slechts toe, in volledige stilte. Zoals ik dit beschrijf, komt het u misschien voor als irritant. Maar als u hem op het scherm zou zien, zou u merken dat hij volledig naturel is. Hij heeft alleen niets te zeggen. Hij is een gat, een leegte, een afwezigheid, een ontkenning, een nulliteit. Het is vreemd, heel vreemd, dat hij toch volledig op zijn plaats is, in Palestina, dat nu staat voor de wereld die alle Arabieren en moslims bewonen, een wereld die bevroren is in zijn eigen absurditeit. Deze momenten krijgen nooit een vorm. De tijd van Elia Suleiman is de on-tijd van ons verzet, permanent, en met een open einde.

Dromen zijn non-lineair

In veel opzichten doet de manier waarop ES zwijgend allerlei wreedheden waarneemt denken aan Handala, de legendarische schepping van de Palestijnse cartoonist Naji al-Ali (1938-1987). Ook Handala is een stille getuige. Hij staat met zijn rug naar ons toe, en wij zien wat hij ziet. Handala richt steeds zijn blik op een gebeurtenis: een Israëlische bulldozer die een Palestijnse olijfboom ontwortelt, een Israëlische tank die een Palestijns dorp binnen rijdt of een stel corrupte Arabische potentaten die bij elkaar komen voor de zoveelste nutteloze topconferentie. Soms komt Handala (ook bekend als Hanzala) zelf in actie. Hij is een vechter. Hij raapt een steen op en doet mee aan de intifada. Handala overleefde de dood van zijn schepper Naji al-Ali, die in de zomer van 1987 in Londen werd vermoord.

Tot op de dag van vandaag is Handala te zien op de muren van Palestijnse vluchtelingenkampen, waar hij de bewoners vraagt om de kampen schoon te houden, terwijl hij de corrupte Arabische leiders vervloekt. Toen we de film Tazkirat illa al-Qods (Passport to Jerusalem, 2002) van Rashid Masharawi’s vertoonden in het Noord-Libanes vluchtelingenkamp Baddawi, projecteerden we hem op een hoge muur met een geschilderde afbeelding van Handala, die tegenover de hele wereld verklaarde: al-Qods lana (Jeruzalem is van ons).

Wat Elia Suleiman met ES doet, is meer dan alleen toekijken bij criminele wreedheden. Wat Handala vertegenwoordigt, is de getuige die een geschiedenis registreert die van de veroveraars moet worden vergeten, verborgen en ontkend. ES heeft een andere taak. ES buigt het magnetische veld van Elia Suleimans cinema naar een terra incognita waar niet alleen de politiek, maar vooral de ethiek buiten werking is gesteld en de tijd tot stilstand is gekomen. De pure vorm neemt het hier over en voert naar een geluidloze plek van het reële, ontdaan van alle metafysische claims, daar waar het nulpunt van tijd en existentie zichzelf onthult. In hoogtepunten van zijn geraffineerde filmkunst als Divine Intervention (2002) en The Time that Remains (2009) brengt Suleiman een wereld in kaart die irreëel in zijn realiteit is, en tastbaar in zijn irrealiteit.

Als Palestijns filmmaker die geboren en getogen is in zijn bezette thuisland, vertegenwoordigt Elia Suleiman de manifeste ontkenning van niet alleen de bekende politiek, maar ook van de grondslagen van de geschiedenis zelf, die hierdoor wordt ontdaan van alle ethische aspecten. Meer dan een halve eeuw zijn de Palestijnen systematisch mishandeld, beroofd, gemarteld, verminkt en vermoord. Hun huizen werden opgeblazen, hun boerderijen vernietigd, hun land gestolen en hun bestaan ontkend. En de wereld keek toen en schaarde zich, overwegend, aan de kant van de veroveraars. Voor de Palestijnen was dit meer dan alleen een politieke beproeving, een nationaal trauma of een historische ramp (Nakba). Het is een morele suspension of disbelief, een toestand in de ground zero van de geschiedenis, waar hun levens nog moeten beginnen. Palestina en de Palestijnen zijn de tabula rasa van de Arabische geschiedenis, van alle geschiedenis. Bij de Palestijnen zien we het krachtenveld dat ontstaat als mensen de wanhoop voorbij zijn, in het midden van een droom van een betere wereld die nog moet komen.

De formele vernietiging van het lineaire narratief

”Geen Saoedische patriarch, geen Israëlische krijgsheer, geen Amerikaanse generaal – en zeker geen econoom van het IMF of de Wereldbank – kan een volk beroven van de verzinnebeelding van zijn geschiedenis en revoluties.”

Voor de Palestijnen, die het slachtoffer zijn van een van de grootste onrechtvaardigheden uit de geschiedenis van de mensheid, heeft de ramp waarmee ze als natie, als volk, werden geconfronteerd uiteindelijk geresulteerd in de weerspannige opschorting van normativiteit, moraliteit en normaliteit. Welke moraliteit? Hoe kunnen ethiek en moraal een plaats hebben te midden van de schaamteloze banaliteit waarmee het grondgebied van andere mensen wordt gestolen, hun inwoners worden vermoord, hun land etnisch wordt gezuiverd en vervolgens hun hele bestaan wordt ontkend? “Palestijnen bestaan niet,” is een uitspraak van een van hun kolonisatoren. Een andere zei onlangs dat de Palestijnen een “verzonnen volk” zijn. De cinema van Elia Suleiman verheft de feiten en de waarneming van deze barbaarse wreedheden naar een volledig ander register. Met een cinematografisch geniale beweging wordt het metafysische tapijt, waar de mensheid in zijn algemeenheid op staat, er onderuit getrokken. Elia Suleimans cinema zorgt dat je gaat zweven.

Geen Saoedische patriarch, geen Israëlische krijgsheer, geen Amerikaanse generaal – en zeker geen econoom van het IMF of de Wereldbank – kan een volk beroven van de verzinnebeelding van zijn geschiedenis en revoluties.

De films van Elia Suleiman vormen de ground zero van het emotionele universum waarin de Arabische Lente eindelijk tot bloei kon komen. Waar we getuige van zijn in Elia Suleimans cinema, vaak zonder dat we het zelf weten, is de systematische, en vreugdevolle, ontmanteling van niet alleen de politiek van de wanhoop waaruit corrupte dictators zoals Hosni Mubarak of Ben Ali zijn voortgekomen, maar ook van de woestenij waarop Osama Bin Laden en Ayman al-Zawahiri (de George Bush en Donald Rumsfeld van de islamitische wereld) hun obscene zandkastelen hebben gebouwd.

De cinema van Elia Suleiman is de suspension of disbelief. Als niets kan samenhangen met iets anders, valt alles uit elkaar. Het leven voltrekt zich in slow motion, de geschiedenis wordt buitenspel gezet en ongeloofwaardigheid wordt de vruchtbare voedingsbodem voor een hernieuwd pact met deze geschiedenis. Met zijn non-lineaire, onsamenhangende, staccato verhaallijnen dwingt Suleiman de tijd en het narratief terug in het krachtenveld van de geschiedenis, waar alles wordt gereduceerd tot een oneindig arsenaal van nieuwe mogelijkheden – waar de geschiedenis nog niet eens is begonnen, laat staan geëindigd.

Op dit moment maakt rechts voortdurend plannen om de volksopstanden te kapen, en zit links vast in de smakeloze en zielloze doodlopende weg waarin de wreedheden van Bashar al-Assad worden gebagatelliseerd. Verder bestaat de angst voor het fantoom van een islamistische coup hier, een militaire staatsgreep daar, of een Amerikaans/Israëlisch/Saoedisch complot om het hele project terug te draaien. Daarom is het belangrijk om stroomopwaarts te gaan, daar waar deze revoluties zijn begonnen, te midden van het ontembare karakter van een volk en zijn visionaire dromers.

De Arabische opstanden volgen geen lineaire koers naar een totale revolutie. Het zijn voorbeelden par excellence van een non-lineair narratief dat de weg vrijmaakt naar een revolutie met een open einde, en het ontvouwt zich eerder als een Bakhtiaanse roman dan als een Homerisch epos (dit onderwerp zal ik wat uitgebreider behandelen in mijn spoedig te verschijnen boek over de Arabische Lente). Maar hoe de opstanden verder ook zullen verlopen (met contrarevolutionairen die ze willen kapen, neoliberale islamisten die er gebruik van willen maken, militaire junta’s die ze willen laten ontsporen of Amerikaans/Israëlische complotten om ze de kop in te drukken), de revoltes zullen meer en meer in het publieke domein terechtkomen, en deze transformeren door de actieve vorming van vrijwilligersorganisaties. De machinerie van de maatschappelijke verandering zal een mate van verfijning krijgen die nog nooit is vertoond. De gecombineerde macht van de Amerikaanse contraspionage, het Israëlische raffinement op het gebied van afleidingsmanoeuvres (zoals het Iraanse nucleaire programma) en het geld van de Saoediërs, zijn geen partij voor de revolutionaire synergie van wat zich voor onze ogen voltrekt.

Als wij de moed willen krijgen om het non-lineaire karakter van deze revoluties onder ogen te zien – wanneer bijvoorbeeld grootschalige demonstraties ondermijnd lijken te worden door verraderlijke complotten – dan moeten we ons wenden tot de visionaire meesters van de Arabische dromen. We moeten leren hoe we net als zij pijn en teleurstelling vreugdevol kunnen trotseren, en hoe we ons bewust kunnen zijn van ons eigen moment in de zon.

Hamid Dabashi is “Hagop Kevorkian Professor of Iranian Studies and Comparative Literature” aan de Columbia University in New York. Hij is de oprichter van “Dreams of a Nation”, een Palestijns filmproject aan Columbia dat is gewijd aan conservering en promotie van de Palestijnse film. Zijn boek “Arab Spring: The End of Postcolonialism” is in mei 2012 verschenen bij Zed Books.

This entry was posted in Middle East, Politics. Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

You may use these HTML tags and attributes: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>