Theater: migratie als uitdaging

De samenstelling van de Europese bevolking – vooral in de grote steden – is grondig aan het wijzigen ten gevolge van de naoorlogse economische en politieke migratie en de globalisering. Kunnen de kunsten, i.c. het theater, daarin een rol spelen?

Soms helpt het de discussie om de dingen scherp te stellen. Zoals in de driedelige serie Aufstand des Alten van de  Duitse zender ZDF. Daarin zijn de stadstheaters anno 2030 vervallen tot overnachtingsplaatsen voor daklozen. Is dat de trieste toekomst van de Europese theaterinstellingen wanneer ze zich niet gaan concentreren op het aanspreken van nieuwe bevolkingsgroepen?

Dat is in elk geval de stelling die de essaybundel Theater und Migration. Herausforderungen für Kulturpolitik und Theaterpraxis (2011) verdedigt. De demografie liegt immers nooit.  De samenstelling van de Europese bevolking – vooral in de grote steden – is  grondig aan het wijzigen ten gevolge van de naoorlogse economische en politieke  migratie en de globalisering. Toch wordt dit onweerlegbare statistische  gegeven nog steeds niet als zodanig aanvaard. Het wordt ofwel gemarginaliseerd, ofwel gehysteriseerd: de consequenties van deze demografische verschuiving worden ontkend of ze worden tot een algemene crisis uitvergroot. Terwijl het er precies om gaat dit nieuwe gegeven met de nodige nuchterheid en redelijkheid  te benaderen.

´Terwijl de politiek in de meeste Europese landen de voorbije twee decennia op een hysterische en paranoïde manier met het thema migratie is omgegaan, is datzelfde thema binnen de kunsten hoofdzakelijk in de marge behandeld. Daar kom langzaam, maar nog steeds traag, verandering in.´

Kunnen de kunsten, i.c. het theater, daarin een rol spelen? Volgens de antropoloog Victor Turner kunnen de performatieve kunsten een cruciale  rol spelen in de dialoog met andere culturen omdat ze  zowel de verbale als de niet-verbale  (fysieke) codes van een cultuur creatief verwerken. Toch heeft dit inzicht nog niet geleid tot een diepgaande heroriëntatie van de theatersector. Dat blijkt ook uit bovengenoemde bundel opstellen, die zich concentreert  op de situatie in Duitsland en Oostenrijk. Bijna een vierde van de Duitse bevolking heeft een migratieachtergrond. De Turkse migranten vormen daarbinnen een grote groep. In grote steden loopt dat percentage op tot bijna vijftig procent. Toch vertaalt zich dat niet in representatieve cijfers voor het theater. De Duitse theaterwetenschapper Christoph Balme vat het kort en krachtig samen: “Interkulturalität wirkt in der Theaterlandschaft wie ein Fremdwort.”

Terwijl de politiek in de meeste Europese landen de voorbije twee decennia op een hysterische en paranoïde manier met het thema migratie is omgegaan, is datzelfde thema binnen de kunsten hoofdzakelijk in de marge behandeld. Daar kom langzaam, maar nog steeds traag, verandering in. De vragen die in de bundel gesteld worden, lopen parallel met de vragen die ook in Nederland en Vlaanderen gesteld worden met betrekking tot de relatie tussen theater en ‘migratie’. Er wordt op vele niveaus een deficit geconstateerd: een terminologisch deficit (intercultureel, multicultureel, transcultureel, post-migratoir  theater en zo meer.), een thematisch deficit,  een opleidingsdeficit, een personeelsdeficit, een publieksdeficit, een institutioneel deficit, etc. De teneur van de bundel laat er geen misverstand over bestaan: “wir brauchen eine umfassende Reform des Theatersystems!”, luidt het in de inleiding. Het gaat niet om een ‘thema’ dat zou ontbreken in het theater, maar om een grondige hervorming van het theatersysteem en de cultuurpolitiek in het algemeen. Dat is een enorme uitdaging waarop de kunstwereld maar mondjesmaat reageert.

Buiten het gesubsidieerde theater is de aandacht voor de migratie als thema, als mogelijk nieuw publiek en als bron voor nieuwe theatermakers in Duitsland, reeds aanwezig sinds de jaren zeventig van vorige eeuw. Al vanaf de jaren zestig organiseerden migranten zich in amateurtheatergezelschappen. De Duitse cultuurpolitiek liet de initiatieven over aan de migrantengemeenschappen zelf. Het gevolg daarvan was dat de professionalisering lang uitbleef en dat de meeste initiatieven zich vooral ‘in der freien Szene’ afspelen, de alternatieve theaterscène die zich in de jaren zestig en zeventig buiten de grote instellingen ontwikkelde. Een aantal uit de migratie afkomstige theatermakers hebben zich wel een vaste plek kunnen verwerven in het Duitse theaterlandschap, zoals bijvoorbeeld de Italiaan Robert Ciulli en zijn Theater an der Ruhr.

Intussen groeit ook het aantal grote gesubsidieerde theaters in Duitsland dat zich aangesproken voelt door de interculturele uitdagingen, maar slechts weinige trekken daaruit de conclusies die Schauspiel Köln trok bij monde van artistiek leider Karin Beier: “Es ist aburd, dass so viele Theater den Anspruch haben, sich damit auseinander zu setzen, dass sich das aber auf der Bühne so wenig wieder spiegelt. Deshalb habe ich nach Schauspielern mit Migrationshintergrund gesucht.” (“Het is absurd dat zoveel theaters beweren ermee bezig te zijn, terwijl dat niet op het toneel zichtbaar is. Daarom ben ik op zoek gegaan naar actrices met een migratieachtergrond.”)

Theaters nemen ook steeds vaker initiatieven om schrijvers en acteurs met een migratieachtergrond te vormen en te begeleiden. Het is dan natuurlijk ook geen toeval dat dit vooral gebeurt in steden met een grote migrantenpopulatie. Het besef dat de stad of de straat niet ophoudt bij de ingang van het theater, begint door te dringen in steeds meer theaterhoofden. Al wordt snel duidelijk dat goede bedoelingen niet altijd tot de juiste resultaten leiden. De groeiende aandacht voor de interculturaliteit leidt ook tot aanzienlijke paternalistische, stereotypen bevestigende en louter commerciële uitwassen.

Alle bijdragen in de bundel zijn het erover eens dat kunst, i.c. theater, het potentieel heeft om voorbij taal- en de cultuurgrenzen te communiceren door de inherente openheid en meerduidigheid ervan. Kunst creëert een nutsvrije, afgeschermde en utopische ruimte waarin met cultuurverschillen geëxperimenteerd kan worden. Tegelijkertijd wordt echter niet ontkend dat kunst zelf het obstakel kan zijn: kunst kan ook een middel tot exclusie en distinctie zijn, lees er Bourdieu maar op na. Wat uit onderzoek blijkt, is dat bij dit laatste in hoofdzaak factoren als sociale afkomst en opvoeding een  rol spelen. Etnische afkomst speelt geen rol als het gaat om belangstelling voor cultuur; die is bij iedere bevolkingsgroep te vinden. Wat wel belangrijk is, is dat migranten zich willen herkennen in de culturele en artistieke producties, via de verhalen of acteurs uit de eigen cultuur.

´Alle bijdragen in de bundel zijn het erover eens dat kunst, i.c. theater, het potentieel heeft om voorbij taal- en de cultuurgrenzen te communiceren door de inherente openheid en meerduidigheid ervan. Kunst creëert een nutsvrije, afgeschermde en utopische ruimte waarin met cultuurverschillen geëxperimenteerd kan worden.´

Niet alleen ‘allochtonen’, maar ook de ‘autochtonen’ (termen die in het Duitse discours volledig ontbreken) worden door dit ‘migranten’-theater aangesproken. Annett Israel verbindt in haar bijdrage Bertholt Brechts idee van de vervreemding met een aantal inzichten van de socioloog Simmel daaromtrent tot een theorie over de blik van buiten naar binnen die die van beneden naar boven heeft vervangen. Vroeger was het de blik van beneden naar boven – ‘boven’ is de plaats van de macht – die zorgde voor de dialectiek in het theater: de macht werd ontmaskerd door de blik van onderop. Nu is het volgens Israel de blik van buiten naar binnen die gesloten (denk)systemen openbreekt: het is de vreemde blik, de blik van buitenaf, die het eigene bevraagt. Het theater is niet alleen een plek waar andere verhalen verteld en andere perspectieven getoond kunnen worden, het is ook een plek waar nieuwe, hybride maatschappelijke en culturele identiteiten gesmeed kunnen worden. Theater is, met andere woorden ,niet alleen een ontmoetingsplek, maar ook een plaats van creatie.

Al snel wordt duidelijk dat ook het Duitse theater en de Duitse critici worstelen met de terminologie, en dus met de zaak zelf. In dat opzicht zijn de opstellen evenzoveel analyses van een crisis, van een overgangsfase, van een diepgaande verandering die zich (nog) niet precies laat articuleren, maar die al op zoveel plekken voelbaar en zichtbaar is. Hoe dit nieuwe theater en hoe deze nieuwe theatermakers te benoemen? Zo wordt er gesproken over ‘migrantisches und postmigrantisches theater’, maar die termen zijn door de aard van de zaak maar beperkt houdbaar. Want wanneer houd je op van ‘migranten’ te spreken? Bij de tweede, de derde, de vierde generatie? Dezelfde vraag stelt zich nog scherper met betrekking tot het begrip ‘allochtoon’, dat vanaf de tweede generatie – de generatie die hier geboren is – een verkeerde omschrijving is.

In haar bijdrage over kinder- en jeugdtheater (die terecht een cruciale rol toebedeeld krijgen in de hele interculturele discussie – iets wat misschien nog te weinig wordt benut) hanteert Bianca Michaels het aan de Britse kunstcritica Claire Bishop ontleende begrip ‘the social turn’, dat verwijst naar het insluiten van en het veranderen van sociale door artistieke activiteiten. In dit begrip ligt een groot kritisch en artistiek potentieel opgeslagen, maar het bevat tegelijk ook het meest heikele discussiepunt in deze discussie: zogenaamde artistieke autonomie.

Hoe verhoudt zich de autonomie, een van de grote verworvenheden van de moderne kunst, zich tot de sociologisch en politiek gekleurde vragen naar diversiteit, publieksbereik en participatie? Hoewel hij in deze bundel niet zo expliciet en brutaal wordt geformuleerd, is het deze vraag die als een rode draad door alle bijdragen loopt en er als een schaduw boven hangt. De bundel zoekt een antwoord – zo blijkt uit de laatste bijdrage van Graham Ley – in het Britse model van Cultural Diversity en community theater. Maar niet alleen Claire Bishops ‘social turn’, ook de ‘relationele esthetica’ van Nicolas Bourriaud,  het ‘Erweiterter Kunstbegriff’ van Joseph Beuys en de ‘geëngageerde autonomie’ van Charles Esche zijn pogingen om met deze grote vraag in het reine te komen.

Het is intussen steeds duidelijker aan het worden dat de demografische gevolgen van migratie ook voor het culturele en het artistieke leven zeer groot zijn. Marginalisering van het probleem is niet langer een optie, de hysterisering ervan evenmin. Blijft over de nuchtere aanvaarding van de realiteit en de uitdaging om daarin een potentieel te zien aan nieuwe culturele vormen en artistieke expressies. Het theater leent zich daar wonderwel toe. De ‘umfassende reform’ – de omvattende hervorming – van het theatersysteem en de cultuurpolitiek waartoe de essays oproepen heeft hier alles mee te maken. En als die er niet komt, dan kunnen theaters nog altijd dienst doen als opvang voor daklozen.

Wolfgang Schneider (hg.), Theater und Migration. Herausforderungen für Kulturpolitik und Theaterpraxis, Transcript Verlag, Bielefeld, 2011, ISBN 978-3-8376-1844

This entry was posted in Diversity, Politics. Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

You may use these HTML tags and attributes: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>