Arabische Film en de vicieuze geweldsspiraal.

Cannes Film Festival (16-27 Mei 2012)

In tijden van grote veranderingen brengen samenlevingen twee soorten films voort: films die waarnemen en films die analyseren. Dit zijn twee verschillende momenten, twee verschillende manieren van omgaan met gebeurtenissen. Vanuit dat oogpunt beschouwd, is de keuze van Arabische films op de vijfenzestigste editie van het Filmfestival van Cannes bijzonder significant.

Tijdens de vierenzestigste editie, die slechts enkele maanden na de opstanden in Tunesië en Egypte plaatsvond, werden op het festival twee Arabische films vertoond: No more fear, een documentaire door de Tunesische filmmaker Mourad Ben Cheikh, en 18 days,gemaakt door een groep van tien Egyptische filmmakers die deelnamen aan de, inmiddels reeds historische, demonstraties op het Tahrirplein in januari en februari 2011. Beide films poogden een beeld te schetsen van wat er gebeurde. De filmmakers, elk op hun eigen manier en met hun eigen stijl, wilden de energie van het moment vangen, en dat is de reden dat de films eerder registraties zijn dan dat er echt over het onderwerp is nagedacht.

Op de editie 2012 van hetzelfde festival waren er meerdere films uit de regio, in verschillende categorieën. Baad El Mawkeaa (Na de strijd) door Yousry Nasrallah (Egypte) in de hoofdcompetitie, The Horses of God door Nabil Ayouch (Marokko) in Un Certain Regard, en El Taaieb (De Berouwvolle) door Merzak Allouache (Algerije) in de Director’s Fortnight. Deze laatste films hebben  in het beeld dat zij neerzetten een andere gradatie van afstand van de gebeurtenissen en daarmee een nieuwe diepte.

Je eerste reactie op gebeurtenissen is die om die in je op te nemen. Je ziet ze daarom als een geheel. Later zie je meer details omdat je begint te analyseren en die details omzet in een fictief verhaal, waarin je een interpretatie van de dingen voorstelt. Het uitgangspunt van de drie filmmakers is een veelbetekenend moment in de geschiedenis van hun samenlevingen. Yousry Nasrallah gaat terug naar 2 februari 2011, toen een groep ruiters op paarden en kamelen de demonstranten op het Tahrirplein aanviel. Ook Nabil Ayouch brengt een datum in herinnering; 16 mei 2003. Op die dag vonden een aantal terroristische aanslagen plaats in Casablanca. Wat Allouache betreft, hij vertelt een verhaal in de context van de zogenoemde wet van Nationale Verzoening, bedoeld om Algerijnse jihadisten de wapens te laten neerleggen als voorwaarde voor hun amnestie.

Alledrie de filmmakers fictionaliseren de respectievelijke gebeurtenissen vervolgens. De beelden van 2 februari  in Cairo werden op alle televisiezenders getoond als een verschrikkelijke escalatie van geweld in de Egyptische hoofdstad. De schokkende beelden toonden de wereld hoe een groep Bedoeïenen die hun paarden en kamelen gebruikte om ongewapende demonstranten aan te vallen, die de straat waren opgegaan onder de roep om politieke verandering. Toen de massa demonstranten een van de ruiters te pakken kreeg en hem in elkaar sloeg, voelden mensen zelfs een zekere mate van voldoening, omdat zij het beschouwden als harde straf voor deze corrupte milicien.

Nasrallah gebruikt de beelden om hetzelfde verhaal te vertellen, maar op een andere manier. Hij geeft de man een naam. Hij geeft hem ook een vrouw en kinderen. Hij rehabiliteert hem tot mens en ook tot Egyptische staatsburger. Sterker nog: hij stelt Mahmoud zelfs voor als slachtoffer op velerlei niveau: als arm man kreeg hij geen enkele kans in het leven; net als miljoenen gemarginaliseerde Egyptenaren uit de krottenwijken wordt hij door de overheid genegeerd en door het plaatselijk criminele netwerk tot slaaf gemaakt. Hij ging naar het Tahrirplein omdat hem werd verteld dat zijn werk als ruiter in het geding was en dat er door de demonstraties binnenkort geen toeristen meer zouden komen. Toen hij door de demonstranten werd gevangengenomen en op televisie kwam, belandde hij in een tragische impasse. Zijn collega’s begonnen hem te zien als de brenger van ongeluk, en door NGO-vrijwilligers werd hij herkend en zij weigerden hem eten voor zijn paard. Mahmouds kinderen werden op school gepest en raakten getraumatiseerd.

Ayouch, de Marokkaanse filmmaker, geeft de terroristen ook een gezicht – zij, degenen die door de mensen worden gezien als het kwaad, als jongemannen die geen genade tonen voor de onnozelen. Twaalf mensen werden vermoord bij de explosies in Casablanca, zo’n veertig anderen raakten gewond en vele hotels en restaurants werden verwoest; dat is wat de televisiekijkers zagen op het journaal. De filmmaker gaat echter terug naar de bron: waar komen deze mensen vandaan? Wat ging er door hun hoofd toen ze deden wat ze deden? Het eerste antwoord lijkt van een sociaal standpunt in te houden: alle jonge mensen die bij deze aanslag waren betrokken, kwamen uit één plaats: een krottenwijk in Casablanca, genaamd Sidi Moumen. Ayouch toont het sociale en psychologische ontstaan van een autobom: Yachine en Hamid zijn twee broers die door de samenleving al sinds hun jeugd worden genegeerd. Ze groeien op in de straten van de krottenwijk, in geïmproviseerde huisjes en zonder enige opleiding. Daardoor is het maar al te gemakkelijk het criminele pad te kiezen of ten prooi te vallen aan terroristische groeperingen en religieuze hersenspoeling. Wanneer de twee broers zichzelf opblazen, doen ze het niet eens uit een bepaalde overtuiging, maar simpelweg omdat ze geen hoop meer hebben.

De Algerijnse film gaat meer over een sfeer dan over een bepaalde gebeurtenis. De wet van ‘gratie en nationale harmonie’ was bedoeld om een eind te maken aan het geweld. Het veroorzaakte echter een ander soort geweld, dat veel ingewikkelder en absurder is. Rashid is een van degenen die bereid zijn het gevecht te staken. Door die keuze moet hij vele gevaren trotseren. Het eerste gevaar is de wraak van diegenen die familieleden hebben verloren in de strijd tussen het regime en de islamisten. Dat is de reden dat hij zijn arme dorp in de bergen moet verlaten. In de stad valt hij in handen van de politie, die hem vrijlaat op voorwaarde dat hij ervoor spioneert. Het laatste gevaar waarmee Rashid wordt geconfronteerd, is de wraak van zijn kameraden, die hem zijn verraad niet kunnen vergeven. Hij zit in de val, en er is slechts mogelijkheid: het land te verlaten. Hiervoor heeft hij het drama nodig van een apotheker, wiens dochter is ontvoerd en vermoord door terroristen om hem te straffen voor het feit dat hij weigerde hen van medicijnen te voorzien. De twee mannen maken een deal: Rashid heeft geld nodig, de vader moet het graf van zijn dochter vinden. Maar als dat lukt, worden ze vermoord door de terroristen.

Een ding is zeker, de drie films bieden geen enkel gevoel van hoop. Ze laten de vicieuze cirkel zien waarin de jeugd in hun samenleving gevangen zit. Wij beschouwen hen als monsters. Maar in hoeverre zijn ze verantwoordelijk voor het genadeloze proces dat hen heeft gemaakt tot wie ze zijn? Het antwoord in alle drie de films is: armoede. De bron van het kwaad is in de drie films gelijk: de arme Marokkaanse krottenwijk Sidi Moumen, het armzalige gebied van de Egyptische piramides, en de vergeten dorpen in de Algerijnse bergen. Hoe meer gemarginaliseerd en hoe meer vernederd de jonge mensen worden, hoe gewelddadiger en kwetsbaarder ze opgroeien.

Het meest tragische in dit proces is dat het de zwaksten in de samenleving zijn die het geweld in stand houden. Ze ondergaan het niet alleen doordat ze worden onderdrukt en door het terrorisme dat zich verspreidt, maar zij worden ook gedwongen gewelddadig te zijn naar elkaar toe. In The Horses of God verandert de liefde tussen de twee broers die er aan het begin van de film is, aan het eind in een fatale uitdaging. Ze vochten zich samen door het leven, maar uiteindelijk sterven ze samen. De ruiters in Baad El Mawkeaa vallen de demonstranten aan, niet de onderdrukker. Vanuit hun oogpunt is lijfsbehoud belangrijker dan voor democratie. De twee mannen in El-Taaieb willen de geweldspiraal doorbreken, maar zij worden gedwongen elkaar te bevechten. Aan het eind van de film sterven ook zij samen.

Drie films met slechts één boodschap: er is geen hoop.

This entry was posted in Middle East, Politics. Bookmark the permalink.

Comments are closed.