Occupy of We are the 99%!

In zijn essay Je moet je leven veranderen schrijft de Duitse filosoof Peter Sloterdijk dat de mondiale crisis de enige autoriteit die ons vandaag kan zeggen dat we ons leven moeten veranderen. Zij bezit die autoriteit, omdat ze zich op iets onvoorstelbaars beroept: de mondiale catastrofe. De Grote Catastrofe is de Godin van de eenentwintigste eeuw geworden, aldus Sloterdijk.

Ze zendt haar apostels uit die haar komst in alle mogelijke gedaantes aankondigen. Ze beschikt over het aura van het verschrikkelijke, waardoor ze de autoriteit heeft om op te roepen tot verandering.
Wat Sloterdijk hier retorisch verwoordt, is niets anders dan de meer aardse oproep van de Franse verzetsstrijder en diplomaat Stéphane Hessel: Neem dit niet! (Indignez-vous!). Dat  is meteen ook de titel van zijn pamflet uit 2010. Het boekje werd bijna onmiddellijk een mondiaal succes, omdat het zeer scherp een gevoel van verontwaardiging verwoordde dat zich aan het einde van het eerste decennium manifesteerde, een decennium dat begon met de terroristische aanslag van 9/11 en eindigde met een globale financiële crisis.

” Een van de grote verdiensten van de Occupy-beweging tot nog toe is wat hij noemt de ‘bezetting’ van het (inter)nationale bewustzijn. De beweging is erin geslaagd om zijn analyses en zijn terminologie op korte tijd mondiaal door te drukken. Het idee dat 1% rijken verantwoordelijk is voor de levenssituatie van 99% is intussen bijna gemeengoed geworden. ”

De verontwaardiging betrof de algemene stand van de wereld op alle niveaus: economisch (steeds meer ongelijkheid), ecologisch (steeds grotere verslechtering van het milieu), politiek (steeds minder werkelijke democratie), sociaal (steeds meer uitsluiting) en cultureel (steeds meer commercie).

Ongeveer een jaar geleden, midden 2011, ontstond in de Verenigde Staten de Occupy- beweging  die zich nadien wereldwijd verspreidde. Occupy Wall Street werd op zijn beurt geïnspireerd door de Spaanse 15 meibeweging (van de Indignados, die hun naam ontleenden aan het manifest van Hessel) en de Arabische Lente. De beweging had op een bepaald moment, in het najaar van 2011,  duidelijk momentum: in tientallen landen over de hele wereld trokken jonge mensen de straat op om te protesteren tegen het neoliberale economische en financiële systeem dat voor die globalisering zorgt en tegen de sociale en economische ongelijkheid die daar het gevolg van is .

De protestbeweging haalde haar zichtbaarheid in de eerste plaats uit de vreedzame bezetting van openbare ruimtes . Het idee van ‘bezetting’ werd letterlijk genomen en er ontstonden alternatieve, democratisch gestructureerde gemeenschappen. De Amerikaanse filosoof en activist Cornel West had het over ‘a democratic awakening’. Gedurende enkele maanden konden de bezetters op de goodwill van de stedelijke overheden rekenen, maar tegen het einde van 2011 waren de meeste kampen opgedoekt, soms onder dwang en met geweld. De laatste belangrijke bezettingen, die in Washington DC  en die bij de St Pauls Cathedral in Londen, werden in februari 2012 stopgezet.

Maar de beweging is daarmee niet dood. De netwerken, de websites, de blogs, de samenkomsten, de publicaties en al het andere houden het vuur warm. Ook de ‘bezettingen’ in engere zin zijn niet helemaal verdwenen. Begin juli dook in Utrecht opnieuw een handjevol actievoerders op in Utrecht dat kampeerde op het plein bij het stadhuis. Ze hebben inmiddels het plein alweer verlaten, maar ze willen later terugkomen. Op  Occupywallst.org stond deze week de volgende oproep: “We would like to invite all NYC anarchists, radicals, autonomists, Occupiers, POC, queers, anti-capitalists, undocumented people, feminists and individuals who are interested in organizing events to join us at Prospect Park on July 22 for an Open Assembly and BBQ.” Heterogeniteit en diversiteit zijn twee van de fundamenten van Occupy.

Een enthousiaste medestander van het eerste uur van de Occupy-beweging is de intussen drieëntachtigjarige linguïst en politiek analist Noam Chomsky, linguist. Net zo als hij een aantal jaren geleden met zijn kritiek op het neoliberalisme en op de Amerikaanse buitenlandse politiek (die volgens hem nauw met elkaar verbonden zijn) ook al een inspiratie was voor de Andersglobalisten, is hij dat nu weer voor Occupy. Zijn genadeloze analyse van vooral de Amerikaanse politiek heeft hem tot een cultfiguur gemaakt in linkse en radicale kringen. Zelf noemt hij zich bij voorkeur een anarchist. In een recent interview omschreef hij anarchisme als een kritische methode: “Anarchists try to identify power structures. They urge those exercising power to justify themselves. This justification does not succeed most of the time. Then anarchists work at unmasking and mastering the structures, whether they involve patriarchal families, a Mafia international system or the private tyrannies of the economy, the corporation.”

Van Chomsky verscheen onlangs een boekje met de eenvoudige, maar niet mis te verstane titel Occupy. Het boekje bevat naast enkele lezingen vooral gesprekken die Chomsky had met Occupy-participanten sinds het begin van de beweging. Zijn analyses blijven scherp, zijn houding is militant, zijn toon is gematigd en zijn raadgevingen zijn praktisch. Het boekje eindigt wellicht niet toevallig met een aantal richtlijnen ingeval van arrestatie. Chomsky draagt het boekje op aan de 6705 personen die tot dan toe in de VS waren gearresteerd. Hij brengt deze naamloze duizenden in verband met een uitspraak van historicus en sociaal activist Howard Zinn (1922-2010).

Zinn schreef over het belang van aandacht voor ‘the countless small actions of unknown people’ die de fundamenten zijn van ‘those great moments’ die de geschiedenis ingaan en waarin de talloze kleine acties van de anonieme mensen weer vergeten worden. Chomsky citeert Zinn nogmaals uitgebreid: “To be hopeful in bad times is not just foolishly romantic. It is based on the fact that human history is a history not only of cruelty, but also of compassion, sacrifice, courage, kindness. (…) And if we do act, in however small a way, we don’t have to wait for some grand utopian future. The future is an infinite succession of presents, and to live now as we think human beings should live, in defiance of all that is bad around us, is itself a marvelous victory.” Met A People’s History of the United States (1980) en Voices of the People’s History (2004) schreef Howard Zinn een zeer invloedrijke geschiedenis van onderaf: Amerika’s geschiedenis verteld door hen wier stem niet gehoord wordt  (indianen, zwarten, vrouwen, arbeiders).

Ook voor Chomsky is het essentieel dat deze groep – de 99% – zich manifesteert. De openbare bezettingen van Occupy hebben daartoe bijgedragen. Hoe belangrijk deze bezettingen echter ook zijn voor de interne cohesie en voor de externe zichtbaarheid, toch zijn deze acties enkel middel en geen doel op zich. Het gaat er niet om (tijdelijke) alternatieve gemeenschappen op te richten, maar om het wijzigen van een ideologische consensus die verantwoordelijk is voor de wereld waarin we leven. Dat lijkt ook te gebeuren, volgens Chomsky. Een van de grote verdiensten van de Occupy-beweging tot nog toe is wat hij noemt de ‘bezetting’ van het (inter)nationale bewustzijn. De beweging is erin geslaagd om zijn analyses en zijn terminologie op korte tijd mondiaal door te drukken. Het idee dat 1% rijken verantwoordelijk is voor de levenssituatie van 99% is intussen bijna gemeengoed geworden.

De voorbije twee decennia, de jaren negentig van vorige eeuw en het eerste decennium van deze eeuw, stonden in het teken van de clash of civilisations. De concentratie op de islam als potentiële vijand en vooral na 9/11 op de War on Terrorism gaven het neoliberalisme en zijn gewapende arm, het neoconservatisme, vrij spel. De Occupy-beweging is hier een duidelijk antwoord op en verschuift het zwaartepunt van een strijd tussen culturen naar een ‘klassenstrijd’, waarin de noties van economische uitbuiting en sociale uitsluiting weer centraal staan. Chomsky noemt de beweging niet toevallig  “the first major public response to thirty years of class war.” Hij beschouwt de Occupy-beweging als een uniek moment in de (Amerikaanse) geschiedenis.

Hoewel Chomsky duidelijk vanuit een Amerikaans perspectief spreekt en in de eerste plaats de Amerikaanse situatie analyseert, zijn veel van zijn bedenkingen ook op de Europese context van toepassing. Hij schetst in grote lijnen de geschiedenis van de Amerikaanse economie, waarin de jaren zeventig een breukmoment vormen. Tot dan toe werd de Amerikaanse economie bepaald door een ontwikkeling in de richting van meer rijkdom, meer industrialisering en meer hoop. De economie werd gedragen, ook – en vooral – op de mindere momenten, door het geloof dat het wel goed kwam. Chomsky vindt die houding zelfs terug tijdens de Grote Depressie van de jaren dertig. Ondanks het feit dat de materiële omstandigheden toen objectief gezien veel slechter waren dan nu, was de mentale instelling veel optimistischer: werklozen konden nog hopen dat hun jobs terug zouden keren.

Voor Chomsky is het duidelijk dat de tijden nu totaal anders zijn. De wijdverspreide hopeloosheid en zelfs wanhoop bij veel mensen op dit ogenblik heeft een objectieve basis, aldus Chomsky. De economie is sinds de zeventiger jaren wezenlijk veranderd van een op productie gebaseerde economie naar één die gebaseerd is op financiële speculatie. De ontwikkeling van ICT, die in de jaren vijftig en zestig begon, was een onderdeel van die grote verschuiving. De economie de-industrialiseerde en financialiseerde. De banken kregen binnen die economie een totaal nieuwe rol. Het is geen toeval dat er zich voor de jaren zeventig geen financiële crises voordeden, aldus Chomsky. De concentratie van kapitaal in de handen van de financiële sector begon pas in dat decennium.

Die concentratie komt de economie en de samenleving niet ten goede. Integendeel zelfs: de concentratie van kapitaal brengt concentratie van politieke macht met zich mee, en die brengt op zijn beurt een wetgeving voort die een nieuwe financiële politiek vestigt die in het voordeel werkt van de geldeconomie. Daarnaast werden de budgetten voor verkiezingscampagnes gigantisch veel en veel hoger, waardoor politici nog meer in de armen van het bedrijfswereld dreef. Een carrière in de politiek had steeds minder te maken met ervaring en met senioriteit, en steeds meer met de mogelijkheid om de partijkas te spekken. Geld en macht concentreerden zich bij een heel klein deel van de bevolking. Voor de meerderheid begonnen de jaren van stagnatie en van achteruitgang. “There has always been a gap between public policy and public will, but it just grew astronomically”, aldus Chomsky. Het voorbeeld dat hij geeft is de bijna exclusieve aandacht van de overheid voor het begrotingstekort, terwijl de mensen in hoofdzaak zorgen maken over de werkloosheid.

Occupy heeft een nieuw interpretatiekader gecreëerd. Van Marx stamt de uitspraak dat we de wereld niet alleen moeten begrijpen, maar ook moeten veranderen. Chomsky voegt daaraan toe: maar als je de wereld op een constructieve manier wil veranderen, dan moet je hem proberen te begrijpen. Dat begrijpen ziet Chomsky als veel ruimer dan studie. Begrijpen is voor Chomsky: leren door te participeren. En precies hierin ziet hij een van de opwindendste aspecten van Occupy: het creëren van organisaties, netwerken, gemeenschappen et cetera. Het gaat niet in de eerste plaats om de antwoorden, maar om de dynamiek van vragen, voorstellen, hypotheses, ideeën, verbeelding en creativiteit. Die dynamiek moet de politiek opnieuw brengen naar waar hij thuishoort: bij de mensen. Politici moeten gedwongen worden op opnieuw te gaan luisteren naar de zorgen en noden van de 99%.

Uiteraard is die 99 % geen werkbare politieke actor. Het gaat om een symbool. Toch gelooft Chomsky in de toekomst van een maatschappelijke verzetsbeweging  zoals Occupy. De Arabische Revoluties hebben laten zien wat mogelijk is indien een kritische massa wordt bereikt. Talloze keren komt Chomsky terug op het feit dat diepgaande maatschappelijke veranderingen een kwestie zijn van lange duur en van structureel engagement. Zowel Hessel als Sloterdijk leggen in hun recente geschriften de nadruk op discipline en zelfs op ascese als alternatieve levenshoudingen voor consumentisme en hedonisme. Het gaat om een volgehouden en goed georganiseerde strijd om verandering, tegen de concentratie van macht en geld, tegen de financialisering van de economie en de politiek, tegen de macht van het bedrijfsleven, tegen de heerschappij van de 1%. Terugkijkend op de laatste vijftig jaar is Chomsky niet zo negatief over de geboekte vooruitgang. In een recent Duits interview laat hij zich positief uit over de grote vooruitgang wat betreft vrouwenrechten en rechten voor zwarten in de VS.

Ondanks zijn leeftijd klinkt de stem van Chomsky krachtig, enthousiast, militant en op de toekomst gericht. Dat is ook het geval met de stem van de hoger vermelde Stéphane Hessel, die op drieënnegentigjarige leeftijd zijn pamflet Indignez-vous! (Neem het niet!) schreef. Het is opvallend dat het die generatie is – niet die van van de vaders, maar de grootvaders – zo’n indruk maakt op de hedendaagse jeugd. Is het wellicht hun bijzondere mix van levenservaring en engagement, van idealisme en pragmatisme, van enthousiasme en strategie die we ervaren als de meest zinvolle gids om uit de uitdagingen van de Grote Catastrofe tegemoet te treden?

Noam Chomsky, Occupy, Penguin Books, 2012, ISBN 978-0-241-96401-9

Een hoofdstuk uit het boek can Chomsky werd in het Nederlands vertaald op de site van DeWereldMorgen.

This entry was posted in Politics, West, World. Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

You may use these HTML tags and attributes: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>