Dutch only: Charlie’s questions

Door: Esma Moukhtar

2015-ju si charlatan

Hoe moet je reageren op een aanslag die zo dichtbij komt? Het begon met een eenduidig, eensluidend Je suis Charlie. Dat is een passend begin. Maar is daarmee alles gezegd en gedaan? Wat volgt er op de eerste reacties en hoe ver reikt de identificatie? Welke vragen ontstaan er en wat moeten we er allemaal mee, als je er al iets mee kunt en wilt doen?

 

In de eerste reacties op de moordaanslag op de redactie van het tijdschrift Charlie Hebdo viel me op hoe over een afschuwelijke en complexe gebeurtenis, veel werd gesproken in eenduidige, definitieve termen. Al op de eerste dag, nog voordat we er rustig met onze beste vrienden en collega’s over hadden kunnen denken en spreken, werden meningen geuit en gedeeld via allerlei media.

Oorlog?

De vrijheid die we hebben, daar moeten we ons voor uitspreken, die moeten we verdedigen. Zo ingewikkeld is dat niet. Natuurlijk moet er direct worden gereageerd, vooral in marsen en op pleinen. Of via sociale en asociale media. Maar er zijn ook tragere manieren om te reageren, om erbij stil te staan en in woorden te vatten wat we juist he-le-maal niet begrijpen. Dat vergt tijd en twijfel. Twijfel aan wat je leest, hoort, ziet, begrijpt. En het doet een beroep op je vermogen je te verplaatsen in andere standpunten dan de vanzelfsprekende.

Het was een voorrecht om een medewerker van Charlie te kunnen zijn, en het is verschrikkelijk dat met je leven te moeten bekopen. Maar ik ben Charlie niet. En ik begrijp er niks van. Ik weet nog steeds niet zo goed waartegen of waarvoor ik mij moet uitspreken, tegenover wie en namens wie. Voor ik het weet word ik verleid tot de retoriek van de tegenstander.

Ik zal de enige niet zijn geweest die het ‘En-nu-is-het-oorlog’-stukje van Annabel Nanninga heeft gelezen als een parodie op een rare, rechtse retoriek, op oorlogszucht, en tegelijk een parodie op islamofobie. Ik vond het meesterlijk hoe op die manier werd blootgelegd hoe plat, simplistisch, dualistisch en verder gewoon dommig je kunt reageren als er iets verschrikkelijks, iets verschrikkelijk ingewikkelds gebeurt. Als je de auteur en het platform ‘Jalta.nl’ even weg denkt, kun je haar stuk lezen als een virtuoze waarschuwing.

Er klopt iets niet. Hoezo is het nu oorlog? Het is al heel lang oorlog, dat is het nou juist! Alleen: niet hier. En oorlog gaat, volgens allerlei denkers onder wie Hannah Arendt, niet over ongebreidelde haat. En bovendien gaat het niet om de haat van de een tegen de haat van de ander. Was het allemaal maar zo simpel, zo symmetrisch.

Bepaalde gevechten zijn legitiem. De ene partij is boos op de ander en andersom, men begrijpt elkaar goed en bestrijdt elkaar met gepaste en gelijkwaardige, zeg maar geëigende middelen en wie wint is dan de winnaar, voilà. Maar het werd al ruim voor 11 september complexer, tragisch, diep asymmetrisch en niet te bevatten. Laat staan te reduceren tot iets tegen iets of zij tegen ons, hullie tegen jullie. En als het dan toch moet: de ontspoorde machteloosheid en weerzin van enkelen, omgeslagen in waanzin, in bijna blinde haat die steeds weer hand in hand gaat met verzet, met onmiddellijk en collectief protest in de opgeblazen naam van onze vrijheid.

Vrijheid?

‘Niet mijn vrijheid’, zou ik kunnen zeggen, zoals je ook ‘niet mijn Islam’ kunt zeggen. Het gaat niet zozeer om onze vrijheid, en het gaat er ook niet om degenen die deze vrijheid aanvallen daar op te wijzen. Ik denk dat zij heel goed weten wat ze aanvallen en waarom. Niemand gebruikt die middelen als het anders had gekund. Het gaat er niet om aanslagen te begrijpen of te verdedigen; het gaat erom te beseffen waarom we het niet kunnen begrijpen – in elk geval niet vanuit de tegenpolen ‘liberale vrijheid’ versus ‘islamitisch fundamentalisme’. Die houden elkaar eerder in stand dan dat ze elkaar bestrijden of opheffen.

Toen mijn geliefde en ik in 2007 naar Beiroet wilden gaan, omdat we als verwende Nederlanders al in Berlijn en New York waren geweest, in Frankrijk hadden gekampeerd en elders over de wereld hadden gereisd, maar nog niet in Libanon waren geweest, kregen we een negatief reisadvies. En omdat we geen politieke maar toeristische motieven hadden, hielden we ons aan dat advies en vlogen naar Damascus. We hadden de tijd, dus bleven we er ruim een week en trokken verder door Syrië alvorens met een curieus soort taxi de grens over te gaan, naar Beiroet.

‘Het Parijs van het Midden-Oosten’ heette het in de tijd dat mijn jong overleden vader in Egypte opgroeide en van zijn tante een fotocamera kreeg, een echte Olympus, uit Beiroet. Daar was men ‘modern’, een magisch woord. Daar had men hedendaagse spullen, mode, ideeën en vrijheden, kunst en humor. En ondanks een lange, ontmoedigende geschiedenis van burgeroorlogen, aanslagen en autobommen, leek het ons in 2007 een ‘interessante’ bestemming. Een paar weken voordat we boekten brak daar opnieuw een ‘situatie’ uit. En ‘because of the situation’ bleven er in Beiroet veel deuren voor ons gesloten, maar toch: wat een plek.

Eerder, nog in Syrië, vielen ons de relatieve kalmte, de verscheidenheid en de coherentie op. Er liep daar van alles door elkaar heen en er leek geen dreiging te bestaan. De hoteleigenaar in Aleppo kwam op ons over als een trotse nicht met slangenleren laarzen en een roze overhemd, we zagen zowel gesluierde als ongesluierde vrouwen, beide in allerlei gradaties, in Hama en Latakia en waar waren we nog meer… We keken goed om ons heen. In Damascus raakten we in een restaurant in gesprek en vervolgens in discussie met twee inwoners, over de internationale politiek en de lokale situatie, we dronken erbij maar werden niet dronken, ook niet echt boos en gingen opgetogen uiteen in de hoop elkaar nog eens te treffen, in Damascus, Beiroet, Parijs of Amsterdam.

Waar begint het?

Wie nu vanuit Amsterdam of Parijs naar Syrië afreist, doet dat niet om aan een interessante discussie deel te nemen. Wie een schoon en veilig land verruilt voor een vuile oorlog waar geen touw meer aan vast te knopen is, moet wel een extreme vorm van hopeloosheid en ‘motivatie’ ervaren.

Die motivatie lijkt me hierom dubbel: negatieve motieven, voortkomend uit de opgelopen, gegroeide en gecultiveerde ervaring er niet werkelijk bij te horen in het land van vertrek; positieve motieven in de vorm van beloften en idealen geprojecteerd op het land van aankomst, in dit geval Syrië, of een ander land dat betrokken is geraakt in het verhaal van de zogenaamde ‘Islamitische Staat’.

Het is een voorrecht om afstand te kunnen doen van identiteit en idealen, of er grappen over te kunnen maken, maar zolang iemands identiteit en idealen niet worden gerespecteerd of zelfs vernederd worden, kunnen deze volledig ontaarden. Het zoeken naar en bevechten van een identiteit is niemand vreemd en kan in combinatie met een gevoel van thuisloosheid, de behoefte aan verbinding, aan erkenning en de wens een heldenrol te spelen in een groots verhaal, explosief worden.

Rekrutering, training, vorming van een subcultuur, propaganda of hersenspoeling zijn effectieve middelen om mensen te overtuigen van een doel en een strategie, om wat voor motivatie dan ook om te buigen naar een gemeenschappelijke missie. Dat is van alle tijden en van overal. Alles wat kan bijdragen aan het versterken van de strijdlust en het verscherpen van de focus is meegenomen. Haat helpt daarbij. Maar begint het ook met haat? Begint het niet eerder met zich geen raad weten, zich niet thuis voelen, en glijdt het dan niet via kwetsbaarheid, uitsluiting en vernedering af naar een stateloos terrorisme in de opgeblazen naam van een god die vast geen hulp nodig heeft van wie dan ook? Maar hoe wordt deze ontwikkeling, uitlopend in haat en geweld, beantwoord?

Tergend raadsel

Er is de arrogante of naïeve overtuiging dat wij in een werkelijk vrij land leven waarin iedereen zodanig tevreden is met zichzelf en elkaar dat het vrije woord, met of zonder humor, altijd als eerste moet worden verdedigd. In eerste instantie zonder humor, omdat humor, net als nuance, tijd nodig heeft. Dus wat er ook gebeurt, voor de analyse komt altijd de totale verontwaardiging en verdediging. Alsof iemand zou kunnen vergeten wat er allemaal mag bij ons en dat je dat niemand mag afnemen. Natuurlijk niet. Een aanslag is een aanval, een daad van haat en van ontkenning van onze vrijheid. En onze vrijheid is een groot goed, daar is voor gevochten en daar blijven we voor vechten. Weer die twee polen dus.

Wij verzetten ons, lijkt het vaak, met ongeveer één middel tegen één probleem. Alles draait om de verdediging van onze vrijheid tegen de fundamentele aanval op die vrijheid. De tragiek is dat dit ene middel nauwelijks kan helpen om dit soort extreme, op relatief kleine schaal georganiseerde, terreurdaden te voorkomen. De middelen van beide kanten houden het probleem in een vicieuze cirkel gevangen. Ze ontnemen ons het zicht op de complexiteit en de vele vragen die we laten liggen. Wat mensen er precies toe beweegt dergelijke daden te begaan, hoe zoiets verloopt, dat is het tergende raadsel. En dat raadsel drijft beide partijen tot waanzin, zij het op andere schaal en met andere vormen van manifestatie, presentatie en representatie.

Toch is er bijna geen raadsel dat zich niet tot op zekere hoogte laat ontrafelen. Maar daar gaat meer tijd overheen dan nodig is om daders aan te wijzen, ze te vangen, te doden en hier een groot verhaal over vrijheid van te maken. Natuurlijk moet men protesteren, zich identificeren, aansluiten of distantiëren. Maar het is gemakzuchtig zich niet tenminste ook eens af te vragen wat een jong mens ertoe drijft zich vrijwillig aan te melden om zich dood te vechten, of om de strijd te overleven als getuige van de meest verschrikkelijke verwoestingen en moorden.

Wie niet omkomt daar, keert niet zozeer gefrustreerd terug, hij of zij werd al door hopeloze frustratie gedreven. Tel daar onoverkomelijke trauma’s bij op en de gevolgen van zoveel verwarring en ellende lopen totaal uit de hand. Het is niet voor te stellen hoe een jongen bij vol bewustzijn een soortgenoot op een redactie bij de naam noemt en doodschiet.

Wie zijn wij?

Er is een Europees land van vertrek, een Arabisch land van aankomst en weer een Europees land van terugkomst en op al die plekken gaat er iets helemaal mis. Zover mis dat het onomkeerbaar wordt. Als dit al te bevatten valt, dan is het niet in dualismen en eenvoudige meningen uit te drukken, maar je kunt proberen vragen te stellen en ernaar te kijken alsof het voor het eerst gebeurt, of door de precedenten opnieuw te bezien.

Het lijken ongepaste opgaven, nare vragen, maar toch heb ik er niks aan om mij ertegen te verzetten, me exclusief te storten op de verdediging van wat wordt aangevallen. Het helpt mij niet met een bord voor mijn hoofd te lopen waarop staat dat ik Charlie ben. Identificatie is de oplossing niet. Het is eerder het probleem.

Natuurlijk schiet je geen redactieleden af, natuurlijk bombardeer je geen dorpen met onschuldige burgers en kinderen, natuurlijk pleeg je geen aanslagen op stations en handels- of winkelcentra. Nee, maar het gebeurt wel. Je kunt het niet verdedigen, maar herhalen dat het een gruwelijke daad is, is net zoiets als benadrukken dat regen nat is of dat pijn pijn doet.

Maar je kunt je als enkeling wel proberen voor te stellen waar het allemaal begonnen kan zijn. Niet om gewelddaden van wie dan ook te verdedigen, maar om het geheel te willen bezien vanuit de onmogelijkheid het eenvoudig samen te vatten, om de complexiteit te bevatten, zogezegd.

Welke rollen hebben wij, gewone burgers, jongens of meisjes die zich laten ronselen om voor een of andere staat te gaan vechten, tekenaars, journalisten, politici, lezers, kijkers en kunstenaars? Ergens voor vechten is vaak ook een vorm van verdedigen. Bijna iedereen wil ergens bij horen, als het geen massacultuur is dan wel een subcultuur, desnoods een sektarisch genootschap of een vechtclub. Waarvoor en hoe we vechten, kiezen we meestal op basis van een gevoel van wat ons veiligheid en aansluiting biedt. Dat we uit het oog verliezen hoe die veiligheid zich verhoudt tot de (on)vrijheid van de ander, dat is niet minder dan verschrikkelijk droevig en gevaarlijk.

Nieuwe (denk)beelden

Wie helpt ons verder, met teksten en tekeningen, voorbij de satire, desnoods met ‘groepsopstellingen’ en rollenspelen, om dichterbij de perspectieven van de ander te komen die wij zo goed de les denken te kunnen lezen? Om nieuwe gezichtspunten te ontdekken op onze eigen posities en ons beter te laten begrijpen wie wij allemaal kunnen zijn? Om de standpunten die wij innemen (met de bereidheid ze af en toe te herzien) te kunnen verscherpen en versterken, niet om te vechten maar om te handelen? Een vorm van politiek handelen die verder gaat dan het scanderen van ‘handen af van onze vrijheid’ en ‘wie dit niet begrijpt rot maar op’? Handelen kost tijd, vraagt om twijfel, om bedenkingen en bedachtzaamheid enerzijds, en vergt anderzijds moed, om oude strategieën te herzien en nieuwe uit te proberen.

We lopen steeds vast in het aanvallen en verdedigen, ontkennen en bevestigen. We worden door gebeurtenissen als deze uitgedaagd om voorbij dominante kaders, categorieën, polen en schema’s te denken; om te onderzoeken en te verbeelden wat in mainstream visies ontbreekt. Wij hebben het vermogen om met beelden en eigenwijze strategieën nieuwe ervaringen op te roepen, de perceptie op te rekken en de interpretatie uit te breiden; om denkbeelden binnenstebuiten te keren, om te draaien of om soms bijna ongemerkt nieuwe denkbeelden in beweging te zetten.

Is vrijheid niet de mogelijkheid vrij te denken en te onderzoeken, om te kunnen experimenteren en zoveel mogelijk vraagtekens te gebruiken als je maar wilt? Wat doen wij met die vraagtekens? Wat doe ik?

Esma Moukhtar

(studeerde filosofie, is theoriedocent in het kunstonderwijs en schrijft)

 

This entry was posted in Middle East, West, World and tagged , . Bookmark the permalink.

Comments are closed.