De ware aard van dokter Zjivago

Uit: Eutopia 21 Juli 2009

In de tijd dat bijna alle vrouwen van Nederland zaten te zwijmelen bij dokter Zjivago, kreeg een van onze buurmeisjes verkering met een man die veel weg had van Omar Sharif. Hij had een dikke bos zwart krullend haar, borstelige wenkbrauwen, een gestileerde snor waarvan de punten tot op zijn kin reikten, reebruine ogen die helder de wereld in keken en een elegantie in zijn manier van bewegen die ongekend was in ons deel van Amsterdam Oost. Met zijn lichtblauwe kostuum, zijn smetteloze overhemden en zijn gewoonte elk weekend een bos rozen mee te nemen voor de moeder van zijn blonde vlam was hij de droom van menig buurvrouw.

Als Omar werd gesignaleerd in de Bankastraat ging het leven een octaaf omhoog. Huismoeders deden hun schorten af, herschikten hun permanentjes en moesten ineens naar buiten om iets onduidelijks te doen. Hun tienerdochters groepten op het trottoir bijeen om de vriend van ons buurmeisje giechelend te begroeten. Misschien had hij wel een broer of een neef die op hem leek en wat zou het fantastisch zijn als ook andere huisgezinnen werden gefrequenteerd door een oosterse prins die wist hoe hij een vrouwenhart sneller moest doen kloppen.

Veel mannen uit onze straat waren minder enthousiast. Dat hun vrouwen na het zien van dokter Zjivago met rode koontjes terugkeerden uit de bioscoop vonden ze nog wel grappig. Met de reuring die zijn evenbeeld te weeg bracht voor hun eigen deur konden ze minder uit de voeten. Wat was dat eigenlijk voor vreemde snoeshaan, die Omar? Volgens de mannen was het een gladjanus van het zuiverste water, iemand die zich mooi voordeed maar van wie niemand wist wat er in hem omging. In elk geval hadden ze liever niet dat hún dochters met zo’n figuur thuiskwamen.

De Omar Sharif van ons buurmeisje heette Mohammed. Ze kende hem van de fabriek waar ze werkte. Hij was een goedlachse Marokkaan uit het Rifgebergte met grote dromen over Europa, een ondernemende inborst en een sterk lijf. De medische keuring die hij moest ondergaan om toegang te krijgen tot de Nederlandse arbeidsmarkt doorstond hij glansrijk. Ver weg van zijn geboortedorp ging hij zijn best doen om rijkdommen te vergaren en welgesteld terug te keren naar het land van zijn jeugd.

Na een paar jaar in een gastarbeiderspension strandde hij samen met ons buurmeisje in een van de somberste straten van onze wijk, waar hij door de oorspronkelijke buurtbewoners met toenemend wantrouwen werd bekeken. Vooral toen er meer Mohammeds kwamen en die Mohammeds er steeds meer toe overgingen hun vrouw en kinderen te laten overkomen uit Marokko. Veel locals waren inmiddels vertrokken naar Lelystad, Almere of Purmerend en de honkvasten gingen zichzelf als onbegrepen losers beschouwen omdat ze tussen de schoonmakers en vaak werkloos geworden lopende bandwerkers van vreemde herkomst waren achtergebleven. Veel mannen onder hen wisten nu zeker dat hun dochters het niet in hun hoofd moesten halen te vallen voor een Marokkaan, hun vrouwen waren vergeten dat ze eens opgewonden raakten bij de aanblik van de echtgenoot van ons buurmeisje en Mohammed zelf vertoonde nog maar weinig gelijkenis met dokter Zjivago. Zijn tred werd minder sierlijk, zijn schouders raakten gebogen, hij droeg nog maar zelden een mooi pak en je zag hem ook niet meer zo vaak lachen als in de tijd waarin hij werd beschouwd als de ultieme

Ondertussen was een legertje welzijnswerkers en een handvol goedwillende politici zich gaan ontfermen over de gastarbeiders en hun gezinnen. Zij wilden begrip kweken voor de maatschappelijke positie die de arbeidsmigranten innamen en waren erop uit hun doelgroep zoveel mogelijk mee te laten profiteren van de zegeningen van de welvaartstaat. Waarbij ze niet zelden de indruk wekten de ware aard van de buitenlanders beter te doorgronden dan de buitenlanders zelf. Het was een larmoyant beeld dat zij optrokken van de mannen die naar Nederland kwamen om werk te doen dat de geëmancipeerde Nederlandse arbeider niet meer wilde doen: min of meer zielige figuren die geholpen moesten worden om zichzelf staande te houden in een land waar ze regelmatig slachtoffer werden van uitbuiting, discriminatie en vreemdelingenhaat.

Hoe het is afgelopen met Mohammed, mijn vroegere buurmeisje en de kinderen die ze kregen weet ik niet. Misschien leefden ze nog lang en zo gelukkig als een echtpaar aan de spreekwoordelijke onderkant van de samenleving kan zijn. Misschien raakten ze zoals zoveel stellen verwikkelt in een poel van wederzijds onbegrip. Misschien bleef Mohammed thuis de charmante man voor wie hij een tijdlang werd aangezien en was hij een lichtend voorbeeld voor zijn zonen en dochters. Misschien ging hij voldoen aan het negatieve beeld dat vandaag de dag overheerst als het gaat over mannen uit warme landen die zich nestelden in een van de grootstedelijke oude wijken van Nederland en werd hij een tirannieke huisvader met een Wao-uitkering die zijn zonen liet opgroeien voor galg en rad en met harde hand regeerde over vrouw en dochters.

Inmiddels kan bijna niemand zich meer voorstellen dat er tussen de pioniers onder de gastarbeiders mannen waren die met een zekere joie de vivre en een verwachtingsvolle blik op Europa aan hun migratieavontuur begonnen. De buurmannen die van meet af aan weinig moesten hebben van de Mohammeds in onze straat hebben intussen veel bijval gekregen. Er is een monolithisch beeld ontstaan van wat er in de oude gastarbeiders en hun mannelijke nazaten omgaat. Daarin wordt niet langer hun maatschappelijke positie in Nederland gezien als doorslaggevend element van hun identiteit, maar de godsdienstige cultuur waaruit ze zijn voortgekomen. Hun zielige imago werd verruild voor dat van de even irrationele als wraaklustige representant van ‘De Islam’. Terwijl het individualisme meer en meer werd omarmd als ideologie van het goede leven en de autochtone Nederlanders zichzelf meer en meer bezagen als unieke persoonlijkheden met unieke eigenschappen kregen de Nederlanders afkomstig uit landen met veel moskeeën één vastomlijnde identiteit toebedeeld. Niet alleen de oude gastarbeiders, maar alle mannen met roots in Afrika of het Midden Oosten werden voorzien van het stempel ‘moslim’. Aan die identiteit wordt voornamelijk   gerefereerd als ze iets rottigs doen. Elke vorm van vervelend, crimineel, gewelddadig of onderdrukkend gedrag dat bij hen wordt gesignaleerd, wordt verklaard uit hun vermeende koranvastheid.

En het zijn al lang niet meer een paar welzijnswerkers en buitenlandersspecialisten die zich druk maken over hun doen en laten. Anno 2009 is de moslimman een kwestie van nationaal belang geworden waarover de media gretig   berichten en waaraan menig Kamerdebat wordt gewijd.

Ook in Nederland wemelt het tegenwoordig van de mensen die op zelfverzekerde toon vertellen wat er in de hoofden en harten van de moslims omgaat. Het is doorgaans een angstaanjagend beeld dat wordt opgetrokken. Met dezelfde gedrevenheid waarmee ze vroeger tot slachtoffer werden verklaard, worden ze nu afgespiegeld als daders. Sinds Bolkestein, Fortuyn, Hirsi Ali en Wilders de toon zetten als het over De Islam gaat, worden niet alleen moslimmannen die zich daadwerkelijk te buiten gaan aan vrouwenmishandeling of zich inlaten met terrorisme als probleem ervaren. Ze worden allemaal geassocieerd met achterlijke en gewelddadige praktijken, tenzij ze zich nadrukkelijk van hun afkomst distantiëren. Wie zich daar ongemakkelijk bij voelt, krijgt al snel het verwijt een linkse luchtfietser te zijn of een naïeveling met een even verouderd als politiek correct beeld van de aard van het moslimbeest.

De filosofe, literatuurwetenschapster en schrijfster Stine Jensen hield pas geleden voor Eutopia een inleiding bij Yes, de film van Sally Potter die gaat over een Libanese man die een liefdesrelatie krijgt met een Amerikaanse vrouw. Zij kwam met een opsomming van clichés die mede dankzij Hollywood bij westerlingen opdoemen als het gaat over oriëntaalse mannen. Het was een bont scala van boemannen dat zij ten tonele voerde. Van de vrouwenbeul tot en met de terrorist. Volgens Jensen was er één cliché van de moslimman dat sinds 9/11 nagenoeg is verdwenen: dat van de oosterling als oogstrelende en gevoelige minnaar. Ik kan een heel eind meegaan met die redenering.

De ongeremdheid waarmee bijna alle vrouwen van Nederland zich eind jaren zestig zaten te vergapen aan Omar Sharif als dokter Zjivago is zeldzaam geworden. Een inheemse vrouw die in deze tijd verkering krijgt met een Omar wordt meestal geconfronteerd met vragen over zijn gedrag die terug zijn te voeren op sensationele krantenkoppen. Er zijn altijd wel een paar kennissen die niet kunnen geloven dat er Omars zijn die regelmatig de afwas doen en hun vrouw niet slaan. Maar meestal is er ook nog wel iemand die na een borrel schoorvoetend vraagt of het waar is dat de Omars beter zijn in bed. Het is er dus nog wel, dat beeld van de oosterse prins als latin lover. Al vraag ik me wel af aan welk beeld ik de voorkeur zou geven als ik een man van moslimafkomst was: dat van de zachte maar gepassioneerde minnaar of toch maar liever dat van de engerd. Maar misschien is het juist zijn griezelige imago dat bijdraagt aan erotische fantasieën over broeierige nachten en totale overgave.

Onder een flink aantal westerlingen zal de Omar onder ons voorlopig nog wel een angstinboezemende en/of opwindende figuur blijven. Maar ik denk wel dat zijn aanwezigheid in de komende decennia vanzelfsprekender zal worden. En dat steeds meer locals zullen gaan inzien dat zijn ware aard nauwelijks afwijkt van die van henzelf.

Op een enkele uitzondering na zijn de meeste moslimmannen waarschijnlijk net zo saai en voorspelbaar als alle andere mannen. Zelfs dokter Zjivago was op den duur vervelend geworden.

This entry was posted in Diversity, Islam and tagged , . Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

You may use these HTML tags and attributes: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>