Duizend en één dromen:

Een fijnzinnig relaas van een treinreis door het hartland van Iran

Recensent: Shervin Nekuee

De Belgisch journaliste Ann de Craemer neemt in haar recent verschenen boek Duizend en één dromen de lezer mee op een treinreis door het Perzischtalige hart van Iran. Het verhaal gaat vergezeld van een prachtige foto-impressie van Pieter-Jan De Pue. Tijdens de reis verhaalt de auteur over oude steden als Yazd en Kashan met hun schitterende architectuur. Toch staat de Trans-Iraanse Spoorlijn, die van het noorden tot het zuidelijkste puntje van Iran aan Perzische Golf loopt en waarlangs de tocht zich voltrekt, in Craemers vertelling voor veel meer dan enkel een bezienswaardige route. De spoorlijn is ook een metafoor voor het moderne Iran dat zich, net als de spoorlijn, met het jaar verder vertakt.
De openhartige gesprekken van de auteur met haar Iraanse medepassagiers, die zich uitstrekken van de Hijab en God tot hoe het Westen over Iran denkt en hoe Iraniërs over het Westen denken, is een doordachte en vloeiende setting. Hoe langer we met de Craemer op reis zijn, hoe vertrouwder we raken met het landschap van gedachten en gevoelens van een volk dat qua cultuur en politieke fundamenten in de eerste instantie zo ver van de beleveniswereld van de doorsnee westerling lijkt af te staan. De auteur komt er in het begin van haar boek ook openlijk voor uit: ze wil laten zien dat Iran volop in ontwikkeling is, maar vooral ook dat de meeste Iraniërs met doodgewone, dagelijkse levensvragen en alledaagse vreugdes bezig zijn, ‘net al u en ik’. Het valt niet te betwisten: haar missie is geslaagd, al wilde de ironie dat juist het punt dat ze over de politieke dynamiek van Iran wilde maken, nog tijdens haar reis wereldnieuws werd: juist op dat moment vond een van de grootste politieke omwentelingen uit de Iraanse geschiedenis plaats. Daarover later meer.


Craemer is niet de eerste Nederlandstalige reiziger die verslag doet van ontmoetingen met gewone mensen in het politiek en cultureel complexe Iran. Uitzonderlijk is wel haar passie voor Iran: met een zeker gevoel voor pathos, dat meteen haar liefde voor de Perzische taal en toon duidelijk maakt, kondigt ze in het begin van het eerste hoofdstuk haar aankomst in Iran aan. “Perzische grond, Iraanse grond, langverwachte grond”. De jonge journaliste had Iran immers al jarenlang vanuit het verre België bestudeerd voordat die belofte in vervulling ging.

Het enthousiasme van dat uitgestelde verlangen en haar frisse onbevangenheid zijn op een aangename manier in balans met haar uitstekende en gedegen feitenkennis over Iran – van de ontstaansgeschiedenis van Trans-Iraanse Spoorlijn tot de familiegeschiedenis van Ayatollah Khomeiny, er valt voor menige lezer veel te leren. Het levert een bloemrijk reisverslag op waarin de altijd wakkere observaties van auteur, de gekozen dialogen, de korte levensbeschrijvingen en de daaropvolgende overdenkingen getuigen van een fijnzinnigheid, die haar in staat stelt om de lezers op het trage tempo van de Perzische trein in lichte, doch niet lichtvoetige taal meer en meer thuis laten raken in dit surrealistische land en kennis te laten maken met de bewoners.

Het verhaal van Khodadad, die behoort tot de zoroastrische minderheid, markeert bijvoorbeeld in een notendop de ondraaglijke ideologische beperkingen van Iran: “… Khodadad betekent “God gaf, maar de God van de islam heeft hem maar weinig gegeven. Eerst opende Khodadad als jongeman een wasserette, maar van de autoriteiten moest hij een bordje “alleen voor minderheden” aan de deur hangen. Hij weigerde en moest zijn zaak sluiten. Daarna ging hij bij de Iraanse radio en televisie aan de slag als scriptschrijver. Ook dat duurde niet lang: hij werd gedwongen een verhaal over Imam Hossein te maken, terwijl hij eigenlijk over Shahnameh wou schrijven, het ‘Boek der Koningen’ van de dichter Ferdowsi uit de elfde eeuw, dat het nationale epos is van Iran en de geschiedenis ervan weergeeft vanaf het ontstaan tot de verovering van het Perzische Rijk door de Arabieren.”

Soms zijn de observaties zelfs voor een insider als ondergetekende bijzonder raak. Zie bijvoorbeeld de combinatie van een zekere wereldvreemdheid van Iran na 31 jaar revolutionair isolement, en tegelijkertijd het grote verlangen naar mondiale erkenning, zoals opgetekend in onderstaand fragment van een gesprek in een treincoupe met de jonge student Mehdi: ‘“Mag ik u een vraag stellen? Ik wil graag weten wat men in het Westen denkt over het algemeen IQ van onze Iraanse natie?”  Het algemeen IQ? Wat bedoelt hij daar precies mee? Bestaat er zoiets  als het algemeen IQ van een land? Hij knikt overtuigd. “Mijn professor heeft ons verteld  dat op basis van berekeningen blijkt dat Iraniërs intelligenter zijn dan de rest van de wereld.” Be Khoda, denk  ik, bij God, wat moet ik hierop  antwoorden? Ik zeg hem eerlijk dat ik niet geloof in zoiets als het algemene IQ van een natie – wat is een natie immers, en hoe bereken je er het IQ van?’

Waarin Craemer verschilt van de meeste Nederlandstalige auteurs over Iran, is dat ze ons niet enkel komt vertellen dat Westerse vooroordelen over fanatisme in Iran niet kloppen omdat de vrouwen binnenshuis minirokjes dragen en de mannen stiekem Wodka drinken. Al is haar stijl toegankelijk, haar vertellingen gaan vooral over de microkosmos van gewone Iraniërs en ze heeft niet de pretentie dat het hier gaat om zware politiek en sociale analyse. Het is glashelder dat haar voorstudie over Iran, de taal, de cultuur en de politieke geschiedenis van het land, van een degelijke diepgang is geweest. Daarom is in staat om intelligente keuzes te maken uit haar vele gesprekken en ontmoetingen, zodat haar observaties en alledaagse vertellingen zoals bovenstaande dialoog wel degelijk gaan over het grotere geheel, over de tijd en de plaats waarin de Iraanse collectieve psyche zich bevindt.

De aandachtige lezer zal in het boek veel schilderachtige observaties treffen, soms tragisch, dan weer hoopvol, maar altijd smaakvol opgetekend. Zoals bijvoorbeeld het volgende fragment: De Craemer wordt in de Iraanse religieuze hoofdstad Qom beleefd doch dringend meegesleurd naar de hoofdverantwoordelijke geestelijke (hojatoleslam) van het heiligdom dat ze net heeft bezocht. De mullah begint een lange verhandeling over dat “de ware” islam tegen terrorisme is, en dat het ontstaan van Al-Qaida en andere terroristische groepen de schuld van het Westen is. “Ik knik beleefd en neem een slokje van mijn thee, die zonet door de assistent van de hojatoleslam is ingeschonken. De oude man zit intussen in een hoek van de kamer en spant zich in om geïnteresseerd te luisteren naar een toespraak die hij intussen ongetwijfeld zelf uit het hoofd kent. Het zweet loopt in straaltje over zijn voorhoofd. In zijn ene hand houdt hij een verfrommelde zakdoek en in zijn ander hand een mobiele telefoon. In zijn donkergrijze sokken zitten twee grote gaten.”

Iran zoals De Craemer het schetst is een land waarvan zowel machthebbers als gewone mensen, ieder op zijn eigen manier (van de mullah in Qom die koste wat kost wil bewijzen dat de islam een religie van vrede is tot de jonge man in kleine stad Arak die zijn uitstekende straat-Engels met een zwaar Amerikaans accent aan rappers te danken heeft) ernaar verlangt om zich tot het Westen te verhouden en ermee in gesprek te gaan. Ook is het een land dat smacht naar verandering. De ironie wil dat De Craemers reis acht dagen voor de presidentsverkiezingen van 2009 begon –  volgens vele commentatoren toen een historisch moment, omdat men de kans groot achtte dat de Iraniërs, na vier jaar de radicaal conservatieve Ahmadinejad, massaal voor de hervormingsgezinde Mousavi zouden kiezen, waarmee de onvervulde belofte van de grote democratische verandering die al sinds 1997 (de eerste zege van de hervormers onder leiding van Khatami) in de lucht hing, eindelijk in vervulling zou gaan.

Zoals we weten liep het anders. Sinds de verkiezingen is Iran verwikkeld in het hevigste en bloedigste politiek conflict van de afgelopen drie decennia. Hoe die confrontatie zich verder zal ontwikkelen weet niemand, maar de ironie heeft gewild dat wat auteur zichtbaar wilde maken over de democratische onderstroom in Iran, precies in de week dat zij voet op Perzische bodem zette wereldnieuws werd. Des te waardevoller is het dat De Craemer zich niet star heeft gericht op de politiek actualiteit. Al werpen de spanning die aan de verkiezingen voorafging en de dreiging erna wel degelijk hun schaduw over de gesprekken die De Craemer voert en de observaties die ze maakt, haar waarnemingen geven een veel breder en dieper inzicht in Iran en de mensen die er wonen dan de emoties van dat politieke moment alleen. Kortom, Duizend en één dromen is een schitterend opgetekend reis door de landschappen van het Perzische hart van Iran, de psyche en mentaliteiten van de mensen, het tijdsgewricht waarin het land zich bevindt en de worsteling die dat teweegbrengt.

Duizend en één dromen

Een reis langs de Trans-Iraanse Spoorlijn

Auteur: Ann de Craemer
Fotos: Pieter Jan De Pue
Uitgever:  Lannoo-Spectrum

This entry was posted in Books and tagged , . Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *