Europa, Israël en de Palestijnen

Er zijn weinig conflicten zo gemediatiseerd en becommentarieerd als het Israëlisch-Palestijnse conflict. Het incarneert alle paradoxen en spanningen van de huidige geglobaliseerde wereld: het gaat om een locaal conflict, maar de impact ervan is tot ver buiten de regio voelbaar. Het speelt zich bovendien af op het snijpunt van nationale soevereiniteit en internationaal recht, en heeft zowel historische als geografische, koloniale als postkoloniale, religieuze als politieke, moderne als archaïsche dimensies. Het is een strijdperk waarop de wereldmachten, met hun enorme economische en politieke belangen in de regio, voortdurend aanwezig zijn. In zijn uitzichtloosheid is het tenslotte een ‘verzamelbekken’ (Sloterdijk) geworden van humanitaire verontwaardiging, woede en extremisme, van het islamisme van Hamas tot het xenofobe nationalisme van Avigdor Lieberman. Het Palestijns-Israëlische conflict is niets meer of minder dan de gordiaanse knoop van de Nieuwe Wereldorde.

Alle commentaar en analyses ten spijt, blijft het een moeilijk te (be)vatten conflict. De onontwarbaarheid (en ogenschijnlijke onoplosbaarheid) ervan is verstrengeld met het onbewuste, het verdrongene en het onuitgesprokene, of concreter: met de taboes, de trauma’s en de fantasma’s waarvan dit conflict is doortrokken. Ik ontleen deze woordenschat aan het essay Proche-Orient. Psychoanalyse d’un conflit (2003) waarin  Daniel Sibony, zoals het een psychoanalyticus past, een poging onderneemt om een deel van dat onbewuste en verdrongene ter sprake te brengen. Sibony laat zijn psychoanalytische theorie (waarin hij Freud en Lacan heeft verwerkt, maar waarin hij zich ook met de Thora en de Talmoedische geschriften inlaat) vaak door spel-metaforen doorkruisen. Die samenhang tussen spel, identiteit en analyse heeft hij uitgewerkt in een zeer leesbaar essay Le jeu et la passe. Identité et théâtre (1997). De centrale vraag in verband met het Midden-Oosten is of en hoe het conflict opnieuw ‘speelbaar’ kan worden gemaakt. Hoe kunnen de posities worden geherdefinieerd om de verschillende actoren meer speelruimte te geven en te vermijden dat ze een al bij voorbaat uitgeschreven script steeds weer opnieuw herhalen – een gevoel dat iedereen overvalt die zich in het conflict verdiept.

Twee van de belangrijke spelers in het conflict zijn Europa en de Verenigde Staten. Misschien is de omschrijving  ‘belangrijke spelers’ een understatement: van interventie door Europa en de Verenigde Staten wordt niets meer of minder dan de oplossing van het conflict verwacht. Toch gedragen beide spelers zich op het speelveld heel anders en lijken ze vaak andere spelregels te volgen. Daniël Sibony stelt dat Europa op veel momenten helemaal geen speler ís en dat de Europese Unie louter de positie van toeschouwer inneemt, in tegenstelling tot de Verenigde Staten die, nog steeds in de optiek van Sibony, tenminste handelend optreden en dus speelruimte creëren (zij het op hun eigen manier verblind). Voor Sibony is het duidelijk dat Europa gebukt gaat onder het dubbele trauma van de koloniale overheersing van de Arabische wereld en van het Europese antisemitisme dat uiteindelijk tot Auschwitz leidde. De Europeanen moeten zich een dubbele schuld afkopen. Die last houdt Europa gevangen in de kooi van  haareigen  humanitaire ideologie, aldus de psychoanalyticus.

Vergeleken met de Verenigde Staten staat Europa in dit conflict inderdaad meer dan eens aan de zijlijn of buiten spel (hors jeu), om de metafoor van Sibony nog maar eens te gebruiken. America plays, Europe pays is intussen een geijkte uitdrukking geworden. Deze formulering brengt me bij het eigenlijk onderwerp van deze recensie: het boek Europa, Israel en de Palestijnen van politicoloog Bilal Benyaich. Benyaich citeert de formulering een paar keer in zijn studie die als ondertitel Van politiek deficit naar normatieve impasse meekreeg. Hoewel Billal Benyaich nergens naar Daniel Sibony of naar de psychoanalyse verwijst, zijn er toch parallellen in hun analyse van de Europese houding ten opzicht van het conflict in het Midden-Oosten: Europa slaagt er niet of te weinig in zijn spelregels op te leggen. Benyaich maakt een analyse van het politieke beleid van Europa ten aanzien van het Midden-Oosten. Politiek is het domein van het bewuste spreken, van het onderhandelen, van  de intenties, de compromissen, de strategieën; Benyaich onderzoekt hoe de Europese Unie met het conflict en met de twee hoofdrolspelers omgaat: Israël en de Palestijnen. Hoe heeft het Europese beleid zich ontwikkeld? Wat waren de uitgangspunten? Welke politieke beslissingen zijn genomen? Welke beleids- en controle-instrumenten zijn gecreëerd? Welke resultaten zijn bereikt? De ondertitel van de studie – Van politiek deficit naar normatieve impasse – laat weinig illusies bestaan over de conclusies.

Aan de hand van een uitgebreide studie van vakliteratuur en van de belangrijkste Europese beleidsdocumenten analyseert Benyaich de geschiedenis van het Europese engagement met het Midden-Oosten als een deficitair proces. Volgens Benyaich heeft de Europese Unie op een aantal cruciale momenten de kans gemist om voor de waarden op te komen waar ze haar eigen bestaan op heeft gefundeerd: democratie, mensenrechten en internationaal recht. De gevolgen van die houding zijn niet alleen desastreus voor de zwakste partij in het conflict, de Palestijnen, maar ook voor Europa zelf: “De houding die de Europese Unie sinds enkele jaren aanneemt jegens de conflictpartijen, is als het ware een aanslag op haar achillespees, op haar geroemde soft power. De kloof tussen het Europese vertoog en de Europese praktijk op het terrein is groter dan ooit.” Die kloof tussen woorden en daden komt Benyaich op het spoor door de politieke en morele grondbeginselen van de Europese Unie te vergelijken met officiële documenten van de Unie over het Midden-Oosten, met de bi- en multilaterale samenwerkingsverbanden en met de daaruit voortvloeiende dagelijkse praktijk. Het essay is voor een groot deel een gedetailleerde en een technische studie van opeenvolgende beleidsdocumenten. Dat maakt het boek bij momenten wat taaie lectuur, maar wie doorleest merkt dat dit precies de kracht ervan is. Het is geen analyse van subjectieve meningen, maar van politieke beleidsmaatregelen en van politieke handelingen (bijvoorbeeld op diplomtiek of juridisch vlak) die op hun coherentie en hun consistentie worden beoordeeld. En dat oordeel valt  voor Europa helaas niet erg gunstig uit.

Hoewel Benyaich zich in hoofdzaak concentreert op de periode na 1948, het jaar waarin Israël werd opgericht, maakt hij duidelijk dat de kwestie samenhangt met de dramatische ontwikkeling van Europa in de negentiende en twintigste eeuw. Overigens heeft het conflict voor de psychoanalyticus Sibony nog veel oudere en diepere lagen, die te maken hebben met de complexe verhouding tussen de drie funderende religieuze teksten (de Torah, de Evangelies en de Koran) die op elkaar verder bouwen, elkaar weerleggen en in een aantal gevallen zelfs herschrijven. Zo ver gaat Benyaich uiteraard niet terug, maar ook zijn analyse is historisch gelaagd. Terecht stelt hij dat het Israëlisch-Palestijns conflict een kind is van het negentiende-eeuwse imperialisme en kolonialisme enerzijds en van nationalisme en antisemitisme anderzijds. In die context ontstond het zionisme en begon het systematisch opkopen van grond in Palestina door Europese joden om daar een joodse staat te stichten.

De grote Europese mogendheden Engeland en Frankrijk dachten en handelden in de eerste helft van de twintigste eeuw nog vanuit imperialistische belangen. Enerzijds beloofden de Britten aan de Arabieren een grotere autonome rol in het Midden-Oosten na de ontmanteling van het Ottomaanse Rijk, anderzijds gooiden ze het met de Fransen in het zogenaamde Sykes-Picot Verdrag (1916) op een akkoordje om de Arabische provincies onder elkaar te verdelen. In 1917 onderschreef de Engelse Lord Balfour de toezegging om een joods thuisland in Palestina op te richten. Na het einde van de Eerste Wereldoorlog besliste de pas opgerichte Volkenbond dat Palestina onder Brits mandaat zou komen te staan. Het Britse bestuur zou ervoor instaan dat de voorwaarden zouden worden gecreëerd voor joods zelfbestuur zonder de burgerlijke en religieuze rechten van de bestaande niet-joodse gemeenschappen in Palestina aan te tasten. In het interbellum groeiden de spanningen tussen de bewoners van Palestina en de joodse kolonisten met gewelddadige confrontaties tot gevolg.

Na de Tweede Wereldoorlog lagen de kaarten volledig anders: de imperiale en koloniale macht van Europa was gebroken, de bewustwording van de Holocaust zorgde voor een diep moreel trauma en een nieuwe wereldmacht trad op de voorgrond, de Verenigde Staten. Onder druk van een enorme schuldenlast besloten de Britten het Palestina-dossier over te dragen aan de Verenigde Naties. De pas opgerichte Arabische Liga eiste een onafhankelijk Arabisch Palestina, terwijl de zionisten het hele voormalige mandaatgebied voor de joodse staat opeisten. Een speciale commissie van de Verenigde Naties deelde in 1947 het mandaatgebied op in een onafhankelijke Arabische en een onafhankelijke joodse staat, maar in de dorpen en steden van Palestina liep het snel uit de hand: de joodse vastbeslotenheid, het geweld van joodse paramilitaire organisaties, de militaire onmacht van de Arabische buurlanden en de terughoudendheid van Europa en de Verenigde Staten zorgden ervoor dat eind 1948 een kwart miljoen Palestijnen verdreven of op de vlucht waren. Op 15 mei 1948 werd de joodse staat uitgeroepen, die al snel door de internationale gemeenschap werd erkend. Het was het begin van een conflict dat in de olgende decennia zou uitgroeien tot een van de meest hardnekkige van de twintigste eeuw, en dat zestig jaar later geen stap dichter bij een oplossing is, integendeel zelfs.

Bilal Benyaich ziet de verhouding van Europa tot het Midden-Oosten in meer dan één opzicht als constitutief voor de uitbouw van de naoorlogse Europese politieke identiteit en voor het zoeken van Europa naar een plek als grootmacht in een voortdurend veranderende wereld: eerst in het klimaat van de Koude Oorlog en na 1989 als een ‘alternatieve’ visie (een van soft power) voor de Amerikaanse hegemonie. Voor Benyaich heeft het Israelisch-Palestijnse conflict (samen met het daaruit voortvloeiende Israëlisch-Arabisch conflict alsmede de Koude Oorlog) de Europese landen gedwongen om na te denken over de noodzaak van een gemeenschappelijk buitenlands politiek beleid. Een van de interessante aspecten van Benyaich’ analyse is dat hij erin slaagt om Europa via het Palestijns-Israëlisch conflict op verschillende terreinen een spiegel voor te houden: wat betreft zijn humanitaire ideologie, wat betreft de toenemende ‘technicitis’ van het Europa, wat betreft de eigen visie die Europa op het conflict tentoonspreidt, maar ook van haar onmacht om zich voldoende los te maken van het Amerikaanse discours, van haar grote idealen en internationale politieke ambities, maar ook van haar mislukking om die woorden in krachtige daden om te zetten.

De politieke éénwording van Europa is een verhaal dat nog lang niet af is. De onderlinge onenigheid tussen de Europese landen tekent mede het Europese Midden-Oostenbeleid. Een belangrijk moment, een wake up call (Beyaich), was de Zesdaagse Oorlog van 1967. In het zog van deze korte oorlog werd de Europese Politieke Samenwerking (EPS) opgericht, een vergadering van ministers van Buitenlandse Zaken. In 1971 verklaarde de EPS zich akkoord met resolutie 242 van de Veiligheidsraad, waarin Israël opgeroepen werd om de bezette gebieden te verlaten. Maar op de Yom Kippuroorlog in 1973 reageerde Europa  opnieuw erg verdeeld, zonder enig intern overleg. Als reactie op de Arabische olieboycot die in datzelfde jaar uitbrak nam Europa afstand van het Amerikaanse standpunt. Daarmee begon een periode waarin Europa zich volgens Benyaich een duidelijk te onderscheiden plaats in de discussie verwierf. Frankrijk speelde hierin een  voortrekkersrol. In de jaren zeventig en tachtig legden de Europese landen “de ene straffe verklaring na de andere” af, aldus  Benyaich. In 1973 erkende de EPS de rechtmatige eisen van de Palestijnen. Dat was een grote stap vooruit omdat het Palestijnse perspectief nu expliciet werd erkend. In 1977 werd opnieuw een sterke Europese verklaring afgelegd, waarin sprake was van ‘het Palestijnse volk’ en ‘een Palestijns thuisland’. Vanaf dat moment werd Europa door de Verenigde Staten en Israël politiek gemarginaliseerd. Zo was Europa niet betrokken bij de vredesonderhandelingen tussen Israël en Egypte die toen werden opgestart.

Voor Benyaich is de Verklaring van Venetië (1980) het ‘absolute hoogtepunt van de Europese diplomatie’ omdat Europa zich daarin van zijn ‘visionaire’ kant liet zien. De Verklaring erkende het Palestijnse recht op zelfbeschikking, de rol van de PLO aan de onderhandelingstafel en het recht van alle staten om binnen erkende grenzen te bestaan, ook Israël. De Israëlische bezetting werd veroordeeld almede de unilaterale wijziging van het statuut van Jeruzalem. Al deze punten zouden een decennium later tot de consensus behoren, maar in 1980 reageerden de Verenigde Staten en Israël als door een wesp gestoken. Toch waren het niet alleen grote principes die Europa dreven, maar ook internationale ambities en economisch eigenbelang, zoals de snelle reactie na de olieboycot van 1973 al duidelijk had gemaakt. In de jaren tachtig bleef het een tijd stil op het Europese front. Benyaich haalt daarvoor verschillende redenen aan: Europa concentreerde zich in de jaren tachtig op zijn uitbreiding met Griekenland, Spanje en Portugal; een aantal nieuwe Europese leiders als Thatcher en Mitterand waren uitgesproken pro-Israël; de moord op Sadat, de Libanese Oorlog, de oorlog tussen Iran en Irak maakten het Midden-Oosten bijzonder onrustig en de dominantie van de Verenigde Staten was een onaanvechtbaar feit.
Met het vredesakkoord van Oslo openden zich nieuwe mogelijkheden voor Europa. Voor Benyaich waren de jaren negentig een nieuwe fase in het Europese engagement. De Europese Unie werkte in die periode een expliciete normatieve onderbouw uit van zijn buitenlands beleid. Ze werd een belangrijke promotor van mensenrechten, democratie en internationaal recht (soft power). Deze ‘humanistische’ houding onderscheidde Europa van andere internationale spelers, die veel nadrukkelijker dachten in harde macht en militaire machtsevenwichten. Toch is het precies hier, op haar meest eigen terrein, dat Europa volgens Benyaich het grootste verlies zou lijden.

De geschiedenis van de voorbije twee decennia ziet Benyaich als een geschiedenis van impasse en deficiëntie. Dat is geen geringe beschuldiging, maar hij komt met goede argumenten. Hij werkt zijn stelling uit met behulp van een gedetailleerde analyse van de associatieakkoorden die in 1995 met Israël en met de Palestijnen in het kader van het Euro-Mediterraan Partnerschap (of Barcelonaproces) tot stand kwamen, en van de actieplannen (een verdieping van de akkoorden) met beide partners in 2005 in het kader van het Europees Nabuurschapsbeleid. Europa en Israël waren allebei erg gebrand op deze vorm van bilaterale samenwerking. Voor Israël is Europa de belangrijkste handelspartner en Europa op haart beurt kijkt vol bewondering naar het intellectuele en wetenschappelijke potentieel van Israël.

Benyaich leest nauwkeurig de officiële teksten en vergelijkt de afspraken die met Israël  werden gemaakt en die met de Palestijnen. Dat levert een aantal verrassende inzichten op. Benyaich is op zijn sterkst wanneer hij een discursieve analyse maakt van bepaalde beleidsteksten. Ik beperk me tot de actieplannen uit 2005. Zo valt in het EU-Israël-actieplan het woord ‘bezetting’ niet. Wel is een heel andere woordenschat dominant aanwezig: ‘terrorisme’ wordt negenentwintig keer genoemd, ‘massavernietigingswapens’ elf keer en ook ‘antisemitisme’ elf keer. Dit duidt volgens Benyaich op een ontkoppeling van de relatie tussen de Europese Unie en de Palestijnse Autoriteit van die met Israël: er kan nu ook met Israël worden gesproken zonder dat het conflict met de Palestijnen als stoorzender fungeert. Daarnaast wijst de nieuwe woordenschat op de toenemende invloed van het Amerikaans-Israëlische discours. In de akkoorden met Israël leest Benyaich een toon van gelijkwaardigheid tussen beide partners (met veel vage en algemene termen), terwijl de akkoorden met de Palestijnen veelal gekenmerkt worden door een paternalistische houding (met veel expliciet geformuleerde eisen).

Misschien heeft Benyaich hier niet genoeg aandacht voor het feit de akkoorden met de Palestijnen gesloten werden in de lastige omstandigheid dat er van een echte Palestijnse staat, en daarmee van een overheidsorganisatie in eigenlijke zin, geen sprake was (waardoor veel heldere directieven noodzakelijk waren), maar hij maakt wel zijn punt: Europa beschouwt de twee partners niet als gelijkwaardig. Dat vertaalt zich zeker niet in minder geld voor de Palestijnen: Europa blijft de belangrijkste geldschieter. Maar hier zit meteen ook de grote paradox: Europa is zowel in de ogen van Israël als van de Palestijnen een economische macht, maar een politieke ‘dwerg’: dit tot groot ongenoegen van de Palestijnen en veelal tot het voordeel van Israël.

De belangrijkste politieke tekortkoming van Europa in de ogen van Benyaich is echter het feit dat de Unie niet naar zijn eigen waarden en normen handelt. Wanneer het er, bij duidelijke overtredingen van bepaalde overeenkomsten, op aankomt om Israël streng te veroordelen en juridische sancties op te leggen, doet Europa steeds een stap terug: ze blijft steken in haar reeds eerder geconstateerde passiviteit en zet zichzelf zo buiten spel door haar eigen spelregels te negeren. Europa speelt in feite de Amerikaanse, onvoorwaardelijk pro-Israëlische kaart waarbij de veiligheid van Israël topprioriteit is, en verliest daarmee de mogelijkheid om voor zichzelf nieuwe speelruimte te creëren. Voorbeelden die Benyaich aanhaalt zijn het niet accepteren van de overwinning van Hamas in 2006 – nochtans het resultaat van zeer transparante en vrije verkiezingen – en de lauwe reactie van Europa op Israël tijdens de Gaza-oorlog van begin 2009. Europa slaagt er zelfs niet in Israël ter verantwoording te roepen voor de vernietiging van gebouwen en infrastuctuur die met Europees geld werden gerealiseerd.

Bilal Benyaich concludeert dat Europa in korte tijd is omgeschakeld van een normatieve macht naar een klassieke grootmacht met eigenbelang als eerste motief. De Europese Unie heeft een mechanistische, technische visie op het oplossen van conflicten ontwikkeld. Benyaich stelt echter terecht dat het conflict geen “technisch conflict” is maar “een fundamenteel politiek conflict met een negentiende- en twintigste-eeuwse Europese erfenis.” Het Palestijnse probleem wordt niet opgelost met trainingen en financiële steun; het gaat in dezen om de grote Verlichtingsprincipes van democratie, rechtvaardigheid en gelijkheid. In dat opzicht zegt het Midden-Oostenconflict ook iets over de wereldpolitiek in het algemeen en de almaar groter wordende kloof tussen universele principes en (multi-) nationale belangen. “In ieder geval heeft Europa’s doen en laten in het Israëlisch-Palestijns conflict haar zo geroemde soft power ernstige schade toegebracht. De ooit schitterende normatieve ster van de EU is een vallende, uitdovende ster geworden.” Voor Benyaich heeft Europa in veel gevallen de situatie van de Palestijnen alleen maar verslechterd. Dat klinkt extreem, maar er is helaas veel voor te zeggen: Europa heeft een eigen stem, maar laat die te weinig klinken; Europa is lid van het Kwartet, maar toch doet Europa op dit ogenblik niet veel meer dan hopen dat Obama iets kan bereiken, al ziet het daar minder en minder naar uit.

Ook al is Benyaich erg scherp op de resultaten die het Europese beleid heeft opgeleverd, hij ziet nog steeds een belangrijke rol weggelegd voor de Europese Unie. Hij formuleert daarom zeven concrete opdrachten voor Europa. Ten eerste moet 1948 en niet 1967 als uitgangspunt van de discussie genomen worden. Benyaich lijkt daar niet in de eerste plaats mee te bedoelen dat de grenzen van 1948 het de einddoelstelling moeten zijn en dat de vluchtelingen moeten terugkeren. Hij zegt enkel: “Verzoening kan pas beginnen wanneer Israël klaar en duidelijk het onrecht erkent dat het de Palestijnse natie heeft aangedaan in 1948.” Ten tweede moet Europa kleur bekennen en moet de Unie duidelijk maken wat ze nu precies wil: ijveren voor een oplossing op basis van het internationaal recht of streven naar goede economische en wetenschappelijke samenwerking met Israël. Ten derde moet de Europese Unie met één stem leren spreken. Ten vierde moet Europa durven het spel hard te spelen en de angst achter zich laten dat Israël Europa buiten het debat zal houden. Ten vijfde moet Europa een intra-Palestijnse verzoening promoten. Ten zesde met Europa zich realiseren dat kritiek op Israël geen antisemitisme is; Israël heeft niet alleen rechten, maar ook plichten en moet daar op gewezen kunnen worden. Ten zevende moet Europa beseffen, en dat besef aan de Verenigde Staten overbrengen, dat de situatie zeer ernstig is: steeds meer radicale en extreme elementen aan beide zijden (rechtsextremisme en jihadisme) maken gebruik van en manipuleren dit conflict om hun eigen politieke agenda door te drukken..

Het boek van Benyaich is confronterende lectuur voor iedereen die gelooft in een snelle oplossing, maar  vooral voor wie gelooft in de rol die Europa daarin speelt of kan spelen. Is dit een objectief boek? Het antwoord daarop is een andere vraag: is er een neutrale positie in dit conflict mogelijk? En wat zou die neutrale positie dan wel zijn? Natuurlijk bestaat er een joods en een Palestijns narratief dat de geesten verdeeld, maar waar het in dit boek in de eerste plaats over gaat zijn de waarden en principes van Europa. Uiteindelijk doet de schrijver in zijn analyse niet veel anders dan Europa de spiegel van haar eigen verklaringen en vooral van haar eigen funderende principes voorhouden, en die twee hebben helaas steeds minder met elkaar gemeen. Europa heeft haar principes wellicht niet opgegeven, maar is vaak onmachtig om ze te implementeren, om ze op de juiste ogenblikken te mobiliseren en in concrete actie om te zetten. Vanuit dat perspectief is een versterking van het Europese engagement in het Midden-Oostenconflict een versterking van de Europese identiteit zelf. Zo kruisen politiek en zelfbeeld elkaar uiteindelijk toch. Misschien moet de Europese Unie niet alleen de eigen funderende politieke principes eens opnieuw grondig nalezen, maar ook eens op de sofa bij een psychoanalyticus in het reine proberen te komen met de angsten, taboes en trauma’s die haar handelen in dit conflict blijven bespoken en belemmeren. Alleen zo kan de Europese Unie de impasse doorbreken en opnieuw een sterke en betrouwbare speler worden.

Erwin Jans

Bilal Benyaich, Europa, Israël & de Palestijnen. Van politiek deficit naar normatieve impasse, ASP,  Brussel, 2010, ISBN 978 90 5487 697 7, 320 p.

This entry was posted in Books, Middle East. Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

You may use these HTML tags and attributes: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>