Het Israëlisch-Palestijns conflict

Een conflict over tijd of over ruimte?

Er zijn weinig conflicten al zo vaak in beeld gebracht als het Israëlisch-Palestijns conflict. Toch weten fotografen steeds weer een nieuwe invalshoek te vinden of een oude opnieuw te ontdekken. Erwin Jans over plaats en tijd in Palestina.

Vechten over grond

Ground. Zo luidt de titel van het recente fotoboek van de Belgische fotograaf Bruno Stevens. Korter en krachtiger kan de inzet van het Israëlisch-Palestijns conflict niet worden omschreven. Het gaat over grond die door twee partijen als de hunne wordt opgeëist, maar die Israël zich sinds 1948 in steeds grotere mate toe-eigent. Overal ter wereld en in alle tijden is er om grond gevochten, maar zelden was een conflict over een stuk land zo intens, zo verbeten, zo uitzichtloos en zo symbolisch.
Het is ook het conflict waaraan al decennialang de mondiale temperatuur kan worden afgelezen. Het bleef nog even buiten schot in de context van de Arabisch lente, maar ook dat zal niet lang meer duren. Het conflict is ook cruciaal voor de Amerikaanse buitenlandpolitiek van Obama. Zijn visie op het nieuwe Midden-Oosten en op een meer uitgebalanceerde internationale orde staat of valt immers met zijn visie op het Israëlisch-Palestijnse conflict, en dan vooral met zijn bereidheid om druk uit te oefenen op Israël. Het is bovendien het meest gemediatiseerde en meest gedocumenteerde conflict ter wereld, dat gepaard gaat met een permanente stroom van analyses en informatie. Maar brengen al die data ons dichter bij een begrip van wat er gebeurt?

Het boek is een verzameling foto’s die Bruno Stevens het voorbije decennium in Israël en in de bezette Palestijnse gebieden maakte. Het zijn zwart-witfoto’s die de hardheid van het land, van de “grond” en van het drama dat zich daarop sinds 1948 afspeelt, alleen maar scherper in beeld brengen. De journalist en Midden-Oostenspecialist Robert Fisk (The Independent) en de journalist en auteur Gideon Levi (Ha’aretz) schreven ieder een kort essay voor het boek. Terwijl Fisk zich concentreert op de algemene context en de houding van de verschillende partijen, zoomt Levi vooral in op de reacties in Israël zelf. Beide teksten zijn geschreven vanuit een zeer kritische houding ten opzichte van de Israëlische politiek. Als fotograaf concentreert Bruno Stevens zich voornamelijk op het leed van de gewone Palestijnen, op een enkele foto van Sharon en Arafat na. In het boek staan ook foto’s van Palestijnse zelfmoordaanslagen in Israël en van de emotionele ontruiming van de joodse kolonies in Gaza, maar het lijden van de Palestijnen in het hier en nu weegt zwaarder.

Bij dit conflict wordt nogal eens vergeten dat het hier niet om een conflict tussen gelijken gaat. Het is zeker zo dat beide kanten geweld gebruiken, maar zelfs het woord “geweld” moet in beide gevallen anders worden ingevuld. De Gaza-oorlog in de winter van 2008-2009 toonde voor eens en voor altijd aan dat de balans volledig zoek is: 13 Israëlische soldaten kwamen om tegenover meer dan 1300 Palestijnen, onder wie vele tientallen kinderen. Daarbij komt nog de nauwelijks te overziene materiële en infrastructurele vernietiging van Gaza.

Stevens gaat dit alles niet uit de weg, maar hij houdt toch enige afstand van de heftige actiebeelden waarmee we in de media worden overspoeld. Hij kiest naar eigen zeggen liever voor het “voor” en het “na” van de actie en het drama. Zo fotografeert hij in 2005 een joodse kolonist in Gaza die bezig is met de studie van de Thora – enkele uren voor zijn gedwongen uitzetting. Bij dergelijke foto’s zijn bijschriften en datering van cruciaal belang, want pas met die in het achterhoofd krijgt de foto lading: wat bezielt die man, die zit te studeren in het besef dat hij en de zijnen een paar uur later uit hun huis zullen worden gezet? Waar denkt hij aan? Waar haalt hij op dat moment  die rust en zekerheid vandaan? Waarop hoopt hij? De foto beantwoordt die vragen niet, maar stelt ze.

Stevens mijdt de grote dramatische momenten echter niet geheel, zoals duidelijk blijkt uit foto’s van de mensenmassa’s op de begrafenis van Arafat of van de ontruiming van joodse kolonies in Gaza, waar Israëlische soldaten gedwongen waren de kolonisten met geweld te verwijderen.  Stevens fotografeert de lichamen van gedode Palestijnse volwassenen en kinderen enkele ogenblikken voordat ze begraven worden. Even sterk zijn de bijna lege foto’s van de acht meter hoge muur op de Westelijke Jordaanoever, van de grensovergangen en de versperringen die het dagelijkse leven van de Palestijnen totaal ontregelen. En natuurlijk de foto’s van de materiële verwoestingen, de stukgeschoten huizen waardoor binnen en buiten in elkaar overlopen, wat bij momenten surreële landschappen oplevert. Ze zijn nu eens paginagroot afgedrukt, waardoor ze bijna uit de bladspiegel springen, dan weer klein met veel wit eromheen waardoor het oog zich opnieuw moet scherpstellen. Op de meeste foto’s staat het menselijke perspectief centraal. Ze zijn van zeer intieme afstand genomen, dichtbij de lichamen en de gezichten, die niet in de lens kijken, maar meestal naar iets buiten het kader.

Bruno Stevens concentreert zich duidelijk op de overvloedige emoties van dit conflict: de wanhoop, de woede, de onmacht. Ook de opstellen van Fisk en Levy zijn vanuit grote verontwaardiging geschreven. Fisk levert felle kritiek op alle partijen in het conflict – behalve op de vluchtelingengemeenschap zelf: de Israëli’s, de Palestijnse Autoriteit, Hamas, Amerika  en de Europeanen. Ze gaan allemaal hun verantwoordelijkheid uit de weg, zegt Fisk. Levy op zijn beurt gaat in op het groeiende democratische en politieke deficit binnen de Israëlische samenleving: “Het huidige verhaal van Gaza is daarom even cynisch als wreed.

Er zijn in dit verhaal nu eenmaal geen good guys. Lijden, armoede, dakloosheid, uithongering – dit alles heeft geen enkele prioriteit in de gebruikelijke leugens en leugenachtigheid.” Terwijl de Gaza-oorlog de ogen van de wereld lijkt te hebben geopend voor het onaanvaardbare optreden van Israël (al heeft dat nog niet tot veel publieke veroordeling van en actie tegen Israël geleid), is dat volgens Gideon Levi binnen Israël zelf helemaal niet het geval. Daar constateert hij juist een toenemende onverschilligheid ten opzichte van de Palestijnen. De Israëli’s stellen de onmogelijke driehoeksverhouding van “joods”, “democratisch” en “bezetting” niet ter discussie: “de Israëli’s geven er de voorkeur aan trouw te blijven aan hun clichés, zonder zich af te vragen of deze situatie wel redelijk, wettig en ethisch is.” Geen van beide bijdragen is hoopvol over de toekomst – en de fotograaf is dat evenmin, of het zouden de paar foto’s moeten zijn waarop Palestijnse jongeren na het vertrek van de kolonisten uit Gaza voor het eerst in hun leven een duik nemen in de zee.

De blik scherpstellen en scherp houden voor het fundamentele onrecht dat het Palestijnse volk wordt aangedaan, of, om het met het motto van het boek te spreken, een uitspraak van Arundhati Roy: “The trouble is that once you see it, you can’t unsee it”; daarmee is echter nog niet gezegd wat moet worden gedaan. Maar wellicht houdt hier de verantwoordelijkheid van de fotograaf ook op.

Toch is de vraag gerechtvaardigd of een boek als Ground niet zowel in woord als in beeld een verhaal herhaalt dat we intussen al kennen (– niet dat het daardoor minder waar zou zijn, uiteraard). Is het ook niet de taak van fotografen en journalisten om juist andere perspectieven te zoeken? Heeft de deadlock van het conflict niet ook te maken met het verzuim de bestaande verhalen open te breken (hoe waar ze ook mogen zijn)? Enkele jaren geleden verscheen een foto- en tekstboek Time Suspended waarin precies dit laatste werd geprobeerd. Het kreeg toen weinig aandacht. Dit is een goede gelegenheid om het boek opnieuw onder de aandacht te brengen.

Time Suspended

Is het mogelijk om zonder kader, zonder voorgeschiedenis, zonder voorkennis naar iets te kijken? Bestaat er zoiets als een blik zonder vooroordelen? Ogen zonder verleden? Kijken zonder te interpreteren? En als zulke ogen al zouden bestaan, wat zouden ze dan zien? In 2002 brachten drie Vlaamse kunstenaars, Herman Asselberghs, Els Opsomer en Pieter Van Bogaert, een tiental dagen door in de Bezette Gebieden in het kader van het project “100 Artists in Palestine”. Zich bewust van de onvermijdelijke beeldenterreur die dagelijks door de media over het “Palestijns-Israëlisch conflict” wordt geproduceerd, probeerden de auteurs in twee teksten en een foto-essay iets in woord en beeld te vatten wat in de formats van de berichtgeving onzegbaar en onzichtbaar blijft. Ze doen geen poging om een zoveelste interpretatie van het conflict te geven, maar proberen iets te zeggen over een bepaalde verwarring die meestal buiten beeld blijft. Het project is echter even ambitieus als bescheiden.
Het boek, dat in totaal meer dan tweehonderd pagina’s telt, bestaat uit twee teksten van Van Bogaert en Asselbergs en een foto-essay van Opsomer. Maar tekst noch beeld voldoen aan de verwachtingen waarmee je als lezer een boek  ter hand neemt over zonder meer een van de meest actuele en gemediatiseerde conflicten. Het duurt zelfs enige tijd voordat je de structuur van het boek beet hebt. Die verwarring is niet alleen door de auteurs zo gewild, ze vormt ook de essentie van wat ze willen zeggen en tonen. De eerste helft van het boek bestaat uit louter foto’s zonder enig aanduiding van wat, waar of wie en boven de artikelen staan geen titels of namen. Pas na enig bladerwerk wordt duidelijk hoe de foto’s zich verhouden tot de tekst en krijgt de lezer door dat het in feite om twee afzonderlijke essays gaat. Op ongeveer tweederde van het boek veranderen de foto’s van kleur naar zwartwit. De auteurs willen dat het boek één ervaring is, niet duidelijk opgedeeld hoofdstukken of afzonderlijke delen.
Terwijl in de media het beeld wordt opgeroepen van een zeer geagiteerd conflict, vol gebeurtenissen die elkaar aan een razend tempo opvolgen en waarvan loeiende en door bochten scheurende ambulances, schreeuwende en wenende massa’s, politiek extremisme, gepantserde voertuigen, geweersalvo’s, stenengooiende jongeren de bijna dagelijkse iconen zijn, gaat het voor Asselberghs, Opsomer en Van Bogaert om een conflict waaruit de tijd, en daarmee de gebeurtenissen, zijn weggevallen. De tijd is uitgesteld. Het tijdsverloop als dispositief van handeling en actie, van besluit en uitvoering, is afgebroken. Zowel de bezetters als degenen die bezet zijn, hebben zich overgeleverd aan het wachten. Op de meeste foto’s van Els Opsomer zijn geen mensen te zien: lege straten en wijken, weinig spectaculaire hoeken en kanten, kleurrijke publiciteitsborden, enkele interieurs – alsof het volk, dat in de media bijna altijd als anonieme en pathetische massa getoond wordt, van de aardbodem verdwenen is. De fotoreeks heet niet toevallig “Erased/Vanished”. En als er wel mensen op de foto’s staan, dan doen ze weinig anders dan wachten: bij de checkpoints, bij de taxis, voor een winkel.
“Wat heb ik gezien in Palestina? Wat te doen met deze ervaring? Waar begint deze reis en waar eindigt ze?” vraagt Pieter Van Bogaert in af zijn tekst “Reality Check”. Kan de werkelijkheid gecheckt worden door ter plekke te gaan kijken? In tegenstelling tot de vele andere boeken en studies over dit onderwerp staat er in “Uitgestelde tijd” geen paginalange chronologie waarin alle bekende feiten nog eens worden opgesomd. Van Bogaert concentreert zich op de dimensies van tijd en ruimte en hoe die door Palestijnen en Israëli’s op een andere manier worden gepercipieerd. De Palestijnen wachten: op het openen van een checkpoint, op de benodigde reisdocumenten, op een job, op een eigen staat; voor de Israëli’s verandert tijd langzaam maar zeker om in ruimte: hoe meer tijd verstrijkt, hoe meer land ze in bezit kunnen nemen.

De Israëlische politiek omschrijft Van Bogaert als een “politiek van de verdwijning”: de ander wordt in zijn bestaan ontkend. Van Bogaert heeft het over Palestina als een “negatieve ruimte”, als een ruimte die bepaald wordt door wat ze niet is: “Een land afgesloten van haar omgeving, van haar ecosysteem en haar overlevingskansen. De negatieve ruimte is een overschreven ruimte: bedolven, omring, begrensd door de tekens van de bezetter. Wat telt, is niet de ruimte zelf, maar wel de afwezige omgeving.” Dat negatieve heeft ook te maken met de (voor de media) onzichtbare manieren waarop de Israëlische bezetter de strijd voert: het administratieve geweld, het geweld van de checkpoints, de nederzettingspolitiek en de stadsuitbreidingen, de water- voedselcontrole. Maar tegelijk is de negatieve ruimte een ruimte waarin veel mogelijk is: “Deze quasi virtuele ruimte waar alles opnieuw uitgevonden moet worden, deze plaats die bepaald wordt door wat er niet langer is – geen land, geen bestuur, geen censuur, geen traditie – biedt vanzelf ruimte voor experiment. (…) De permanente tijdelijke uitzonderingstoestand maakt van de Palestijnen overlevingskunstenaars.”
Hoe dit alles te begrijpen? Van Bogaert zet zich af tegen al te makkelijke vergelijkingen zoals die met Vlaanderen/Wallonië met Brussel als een Belgisch Jeruzalem: op die manier verdwijnt het ware conflict achter het cliché. Met een verwijzing naar een beroemde tekst uit de film Hiroshima mon amour beantwoordt Pieter van Bogaert de vraag waarmee hij zijn tekst begon: “Ik heb niets gezien in Ramallah. Niets.”
Ook in de tekst van Herman Asselberghs, “A.M./P.M.”, waarmee het boek afsluit, probeert deze dat “niets” te omschrijven: “Misschien bekijk ik alles van te ver. Of van te dichtbij.” Hij neemt in zijn tekst de grootste risico’s omdat hij die ervaring van dat “niets” in zijn schriftuur laat doorwerken. “Ervaring” staat hier voor meer dan enkel de reis naar Palestina; het heeft te maken met de angst en de fascinatie voor de “catastrofe”: dat onbestemde, maar dwingende gevoel veroorzaakt door de dagelijkse confrontatie met beelden van ellende en met de frustratie er toch niets aan te kunnen verhelpen. Tegelijk is er de gewenning die optreedt bij zo’n overkill, de verveling (“Breaking News is zó déjâ vu”), het cynisme en zelfs een verlangen naar meer catastrofe: “Voor de catastrofe voel ik me zo lusteloos, dat mijn angst voor de komst van de meteoor me weer tot leven wekt.” Asselberghs tekst is de  meest persoonlijke van de twee en daardoor de meest verbrokkelde. Om die complexe ervaring van hier/daar, angst/fascinatie, nabijheid/verte, engagement/toeschouwen en kijken/bekeken worden te verwoorden maakt de auteur gebruik van literaire procédés als de herhaling, de opsomming, het gebruik van witregels en het wegvallen van interpunctie.
“Uitgestelde tijd” is een opmerkelijke poging om ons na te doen denken over de beeldenstorm die iedere dag over ons losgelaten wordt, over de verwoestingen die daardoor in ons worden aangericht en over de vraag of we er een alternatief voor hebben. Dat een dergelijk opzet een permanent zoeken en tasten naar het “andere” woord en het “andere” beeld betekent, is geen tekortkoming van het boek, maar inherent aan de delicate taak die de auteurs zichzelf hebben gesteld.

Erwin Jans

Bruno Stevens, Ground, Lannoo Publishers, Tielt, 2010
ISBN 978 90 209 9212 0

Herman Asselberghs, Els Opsomer, Pieter Van Bogaert, Time Suspended, Square, 2004, (met in losse bijlage een Nederlandse vertaling van de teksten)
ISBN 90 8088 391 3

This entry was posted in Books, Middle East. Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *