Populisme revisited

De Tea Party in Amerika,  Pim Fortuyn en Geert Wilders in Nederland, Het Vlaams Belang en recenter de N-VA in Vlaanderen, en soortgelijke partijen in andere Europese landen: hoe valt het razendsnelle maatschappelijke succes van deze partijen of bewegingen te verklaren?

De gebruikelijke politieke en sociologische categorieën lijken te kort te schieten om het ‘populisme’ te duiden. Toch is een van de belangrijkste maatschappelijke en politieke uitdagingen van dit ogenblik – zo niet de belangrijkste – het begrijpen en vooral het counteren van dit politieke en culturele fenomeen, niet in de laatste plaats omdat de hele humanistische erfenis op het spel staat.

Het populisme, onder andere met zijn discours over veiligheid, houdt een onmiskenbare regressie in ten aanzien van de democratische idealen en verworvenheden sinds de Tweede Wereldoorlog.

Waarom is  het  populistische discours  zo aantrekkelijk? En waarom zo gevaarlijk? Waarvan is het een  symptoom? Wat staat er precies op het spel wanneer het woord populisme ter sprake komt?  Wat opvalt in recente analyses is de ernst waarmee het fenomeen benaderd wordt en de bijna expliciet beleden onmacht om er intellectueel mee in het reine te komen. Er wordt niet langer zonder meer ingehakt op het populisme. De stemmers op populistische partijen worden niet langer afgedaan als cryptofascisten of racisten; de populistische partijen en hun succes worden geanalyseerd als symptomen van een diepe crisis van de westerse democratie in confrontatie met de globalisering. Er wordt intens gezocht naar oorzaken en remedies. Vorig jaar schreef Bas Heijne zijn essay Moeten wij van elkaar houden? Het populisme ontleed (2011). Dit voorjaar publiceerde de Vlaamse filosoof Ludo Abicht zijn analyse Gewoon volk eerst. Waarom ‘populistisch’ en ‘gemeen’ geen scheldwoorden  zijn (2012).

Er zijn veel overeenkomsten tussen beide essays omdat ze beide een poging doen om de ‘maatschappelijke kloof ’ niet nog groter te laten worden. Voor Bas Heijne is die kloof de verstoorde verhouding tussen individu en samenleving; het individu voelt zich niet langer op zijn plaats in een snel veranderende samenleving en keert zich tot die discours, die een overzichtelijke wereld, een duidelijke identiteit en een zuivere gemeenschap beloven. Ludo Abicht verwijst met de titel van zijn essay naar de politieke slogan waarmee het Vlaams Blok (nu Vlaams Belang), de Vlaamse rechts-extremistische partij, in de jaren negentig van vorige eeuw  campagne voerde: Eigen volk eerst! Abicht verwijst echter niet naar de tweedeling eigen/vreemd (die de harde kern vormt van het programma van het Vlaams Belang, maar ook van de PVV van Wilders), maar naar de tweedeling die in zijn ogen medeverantwoordelijk is voor de politieke crisis waarin we terecht gekomen zijn: elitair/populair. De verstoorde verhouding tussen individu en maatschappij of tussen elite en het volk: het zijn twee invalshoeken om hetzelfde fenomeen proberen te begrijpen.

´Het populisme is een antwoord op die crisis. En het is een simplificatie. Maar daarmee is het natuurlijk niet verklaard. Voor Heijne heeft populisme te maken met de angst om de eigenheid te verliezen. Die angst is intussen omgeslagen in agressie: ‘Het verlangen naar eigenheid heeft niet langer meer een nostalgisch gezicht.´

De grote negentiende-eeuwse kunsthistoricus Jacob Burckhardt stelde dat wanneer een maatschappij complexer wordt, de behoefte aan simplificaties navenant toeneemt. De voorbije decennia, met de doorbraak van wat we bij gebrek aan beter ‘globalisering’ noemen, zijn daar een goed voorbeeld van. Socioloog Zygmunt Bauman heeft het over ‘de vloeibare moderniteit’: de politieke, sociale, economische en culturele zekerheden van het verleden hebben hun stabiliteit en hun autoriteit verloren. De mobiliteit van goederen, mensen, arbeid, kapitaal, informatie  en ideeën hebben van  onze wereld een ‘platte’ wereld gemaakt. In de woorden van de Amerikaanse journalist Thomas Friedman: een wereld waarin alles met alles samenhangt en alles alles beïnvloedt. Dat creëert veel onzekerheid en het gevoel het eigen leven niet langer te kunnen overzien en te kunnen controleren.

Het populisme is een antwoord op die crisis. En het is een simplificatie. Maar daarmee is het natuurlijk niet verklaard. Voor Heijne heeft populisme te maken met de angst om de eigenheid te verliezen. Die angst is intussen omgeslagen in agressie: ‘Het verlangen naar eigenheid heeft niet langer meer een nostalgisch gezicht. Het is verbeten geworden, het dreigt en stelt eisen.’ Die emotionele en irrationele kant, hoe lelijk hij ook is, is voor Heijne essentieel om het populisme te begrijpen. Het is namelijk een reactie, niet alleen op een als vervreemdend ervaren globaliseringsproces dat beheerst wordt door transnationale organisaties zoals Europa en het IMF, maar ook op (en tegen) het abstracte humanistische discours dat de moderne democratie fundeert: gelijkheid, tolerantie, wereldburgerschap. Dit humanisme is de erfenis van de Verlichting en is na de Tweede Wereldoorlog de kern geworden van de Europese politiek. Maar dat humanisme is in een ernstige crisis geraakt. Zo heeft, volgens Heijne, de progressieve  politiek  de immigratie en de globalisering nooit in een overtuigend verhaal kunnen vatten. Juist de open en relativistische levenshouding die links voorstaat heeft een kritische houding tegenover de excessen van de globalisering en de immigratie verhinderd; het duurde zelfs lang voordat de linkse elite die excessen onder ogen zag. Ook het linkse kamp zelf heeft zich intussen deze analyse (annex zelfbeschuldiging) eigen gemaakt.

Binnen het populisme wordt de humanistische erfenis onder vuur genomen. Nationalisme, eigen volk, groepsidentiteit, culturele eigenheid – termen die decennialang not done waren eisen opnieuw hun plaats op in het centrum van de politiek. Daarnaast is ook de godsdienst opnieuw een krachtige X-factor geworden, met zowel inclusieve als exclusieve krachten.
Voor Bas Heijne is de moderniteit niet zonder meer de erfgenaam van de Verlichting. De moderniteit werd gezoogd aan twee borsten: de Verlichting en de Romantiek. De Romantiek is weliswaar een anti-Verlichting, maar daarom niet minder modern. Die twee moderniteiten hebben steeds naast elkaar bestaan. Tegenover de rede, de individuele vrijheid, de universaliteit en gedeelde menselijkheid van de Verlichtingsdenkers verdedigen de anti-Verlichtingsdenkers het gevoel, de gemeenschap, het volk, de traditie en de cultuur als de verbindende factoren. De naoorlogse Europese politiek stond om begrijpelijke redenen in het teken van de Verlichtingsidealen die de basis vormen van de sociaal-democratie en de welvaartsstaat. De ‘terugkeer’ van het andere, door de Romantiek geïnspireerde discours tijdens het voorbije decennia zorgde voor een schok en voor veel onbegrip in de westerse democratieën.

Bas Heijne verzet zich tegen de houding van het progressieve (linkse) kamp, dat op de huidige ontwikkeling alleen maar teleurgesteld en afwijzend reageert: ‘Het is die geest die verhindert dat het hedendaagse nieuwrechtse populisme begrepen wordt. In plaats van de botsingen van de twee opvattingen van moderniteit te beschouwen als een oneindige strijd tussen goed en kwaad, kun je ze ook zien als een bij uitstek menselijke worsteling. Individu en ratio aan de ene kant, gemeenschap en gevoel aan de andere: je hoeft niet over een groot inzicht in de menselijke natuur te beschikken om te beseffen dat een mens voortdurend heen en weer geslingerd zal worden tussen die twee uitersten, en dat ieder wereldbeeld dat de nadruk legt op het een, op een gegeven moment geconfronteerd zal worden met zijn tegenbeeld.’

De argumentatie van Heijne wordt hier wat troebel: enerzijds verbindt hij het populisme met een aan de menselijke natuur inherente spanning tussen rede en gevoel en anderzijds analyseert hij het in de context van de globalisering en vooral de ‘onttovering’ van de wereld: ‘Het nieuwe populisme is niet alleen een reactie op de versnippering en verwatering die globalisering met zich meebrengt; het is ook een reactie op een ontkerstende wereld waarin alles alleen nog maar in rationele en economische termen wordt gezien.’ Overtuigender is Heijne wanneer hij stelt dat bijvoorbeeld het fenomeen Fortuyn in de verkeerde taal werd geduid: ‘er werd eindeloos uitgeweid over de verwording van de bestuurlijke elite, die de politiek correcte aannames van de voorgaande decennia tot dogma hadden verklaard en dus blind waren geworden voor de werkelijkheid. (…) De grotere belofte die Fortuyns optreden met zich mee leek te brengen, die van regeneratie en vernieuwde gemeenschapszin, kon alleen nog begrepen worden in termen van volksnationalisme en fascisme, en zorgde voor felle, geschikte afwijzing.’ Het politieke populisme laat zich niet zuiver rationeel verklaren.

Het is geen toeval dat zowel Abicht als Heijne een ‘religieuze’ of ‘mythische’ structuur blootleggen in het populisme: het verlangen naar de leider die verlossing brengt. Beide auteurs verwijzen naar Mozes en de Exodus: ‘Een verweesde samenleving, Mozes en het beloofde land en ten slotte een dode messias: wanneer je met enige afstand terugkijkt naar de Werdegang van Pim Fortuyn blijft het verbazingwekkend om te zien hoe hij erin slaagt heel dat drama van de gedegenereerde samenleving en de verlosser van buitenaf weer levend te maken in een maatschappij die zichzelf zag als nuchter, zakelijk en ontkerstend.’

Voor Heijne is een van de oorzaken voor het succes van het populistische gedachtegoed, het groeiende belang van het individualisme en van de persoonlijke belevingswereld in onze samenleving. Wat telt is niet langer de (objectieve) wereld, maar de (subjectieve) belevingswereld. De nadruk komt te liggen op de emoties en de gevoelens, de indrukken en de beleving, waarbij ieder algemeen of abstract geldend principe als leugenachtig of als hypocriet wordt beschouwd. In een moeite door wordt afgerekend met de grote idealen van de Verlichting.

Maar Heijne wijst ook verwijtend in de richting van het progressieve establishment bij wie de geloofsartikelen van de Verlichting een dogma werden waaraan men een gevoel van superioriteit ontleende: ‘Misschien is het daar fout gegaan: de neiging om de Verlichting als een geloofsleer op te vatten, in plaats van een levenshouding, een moeizaam en onzeker streven om onze al te menselijke aanvechtingen in goede banen te leiden.’ Dit brengt Heijne opnieuw bij de diep in zichzelf verscheurde menselijke natuur. Alleen een erkenning van die tegenstrijdige verlangens (namelijk de twee moderniteiten) kan leiden tot een waar humanisme.

Voor Ludo Abicht ligt de oplossing in wat hij ‘de radicale democratie’ noemt: ‘De fundamentele verandering zal er nooit komen zolang de gewone mensen niet beseffen dat zij en niemand anders de drager zijn van een wereldorde die in strijd is met het gezond verstand en de morele redelijkheid van de meerderheid van de bevolking.’ Met ‘radicale democratie’ bedoelt hij min of meer hetzelfde als Badiou en Zizek bedoelen wanneer zij het woord ‘communisme’ opnieuw salonfähig proberen te maken. Abicht pleit voor een geschiedschrijving van de talrijke pogingen die in alle culturen overal ter wereld ondernomen zijn waarbij gewone mensen hebben bijgedragen tot de ontwikkeling van de democratie. Hij eist de term ‘populistisch’ voor deze projecten op. Diegenen die op dit ogenblik ‘populisten’ genoemd worden, noemt Abicht ‘demagogen’: ‘Het wordt tijd dat we hun deze gevaarlijk gladde eretitel ontnemen, want met “populisme”, in de letterlijke zin van zorg voor de belangen van het volk (populus), hebben hun intriges en manipulaties niets te maken, integendeel.’ Het zijn ‘volksmenners die op het voor hen juiste moment verkeerde ideeën verspreiden.’

Abicht gaat na hoe er in de geschiedenis steeds neerbuigend is gekeken naar het gewone volk, hoe het ‘ontmenselijkt’ is en vaak met dieren werd en wordt vergeleken: ‘kiesvee’ is een term die in deze context veelbetekenend is. Die terminologie heeft er eeuwenlang voor gezorgd dat bij de machthebbers, noch bij het gewone volk zelf de idee opkwam dat iedereen gelijkwaardig is. Abicht ziet de spanning tussen de elite en het gewone volk in een historisch perspectief: ‘Deze verachting voor het gemene volk, het vulgum plebs, is waarschijnlijk zo oud als de mensheid, maar ze is ook vandaag wijd verspreid, ondanks de tweeplechtige afkondigingen van de universele rechten van de mens (1789 en 1948).’

Aan de hand van de dubbele betekenis van het woord ‘gemeen’ (gewoon, gemeenschappelijk én laag, verachtelijk) schetst Abicht in vogelvlucht de geschiedenis van hoe het ‘gemene’ volk zich heeft proberen te emanciperen van ‘religie, staat en gezin’, die hij beschouwt als de belangrijkste ideologische machtsapparaten. Die emancipatie is slechts ten dele gelukt. Abicht stelt dat in tijden van crisis het zelfvertrouwen van de burgers daalt, zodat ze gemakkelijker luisteren naar sterke leiders die zich engageren om hun problemen op te lossen (of die zich op die manier voorstellen). Dat de burgers daarmee hun eigen ondergang tekenen begrijpen ze helaas vaak niet: ‘De schaamte, de verontwaardiging, de woede en ten slotte de euforie van de eerste revoltes hebben niet lang genoeg geduurd. Het volk is niet gemeen genoeg geweest: niet bewust genoeg geweest: niet bewust genoeg om duidelijk in te zien dat de hele strategie van de sociale versplintering die keer op keer voorgesteld wordt als dé remedie om uit de crisis te geraken ingegeven is door de angst van de machthebbers dat de mensen opnieuw “gemene zaak” gaan maken en hun individueel onbehagen gaan omzetten in gemeenschappelijk verzet.’ Abicht geeft het ontstellende voorbeeld van een Amerikaans bedrijf als Walmart dat liever een bloeiend filiaal sluit dan het gevaar loopt dat de werknemers een vakbond zouden oprichten!

De voorbije decennia sinds het einde van de ‘tegenbeweging’ van de jaren zestig en de wereldwijde economische crisis van de jaren 1974-‘75  is de sociale verzorgingsstaat systematisch verzwakt ten voordele van de private sector en een liberalere staatsstructuur. Dat herhaalt zich in de supranationale structuur die Europa heet en haar keuze voor een neoliberale aanpak met veel meer aandacht voor economische dan voor sociale vraagstukken. Volgens Abicht is ons gebrek aan ‘gemeenheid’ verbijsterend. Het volk legt zich neer bij zijn onmacht. Dat leidt tot twee vormen van nihilisme: de stille nihilisten trekken zich wrokkig maar geresigneerd terug in hun privéleven en verdedigen hun privébelangen, terwijl de militante nihilisten zich overgeven aan een vaak moorddadig fundamentalisme.

Abicht pleit voor een nuchter en eerlijk (zelf)onderzoek naar de oorzaken van de regressie die we in de democratie moeten constateren. Die achteruitgang is  niet het gevolg van een onontkoombare natuurwet, maar het resultaat van krachtsverhoudingen. Die verhoudingen moeten geanalyseerd worden om de klippen van enerzijds het hegeliaanse vooruitgangsoptimisme en anderzijds het schopenhaueriaanse pessimisme te omzeilen. We moeten, aldus Abicht: ‘een onderscheid leren maken tussen bruikbare en eerder schadelijke vormen van progressie en progressiviteit.’ De elites hebben gefaald en het populisme heeft gefaald, aldus Abicht. Het komt er nu op aan een radicale ‘gemene’ democratie uit te werken. Abicht maakt zich weinig illusies over de snelle haalbaarheid daarvan want, het gaat om een nog nooit eerder gewaagd experiment van radicale democratische autonomie.

Ludo Abicht, Gewoon volk eerst. Waarom populistisch en gemeen geen scheldwoorden zijn, Houtekiet, Antwerpen/Utrecht, 2012
Bas Heijne, Moeten wij van elkaar houden? Het populisme ontleed, De Bezige Bij, Amsterdam, 2011

This entry was posted in Politics, West. Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

You may use these HTML tags and attributes: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>