Het vierde beest of het patchwork van de islam

De titel van Tom Hollands boek Het vierde beest is ontleend aan het Bijbelse boek Daniël: “Dat vierde dier duidt op een vierde koninkrijk dat op aarde zal komen, anders dan alle andere koninkrijken, en dat de hele aarde zal verslinden, vertrappen en vermorzelen.”

 

´Er zit zeker iets bewust provocerends in Hollands titelkeuze: de islam wordt geschilderd een van zijn meest agressieve en imperialistische gedaantes. Het verhaal dat Holland beschrijft over de opkomst en zegetocht van de islam in de zevende eeuw staat in vele opzichten haaks op de officiële islamitische overlevering.´

Dat vierde beest werd in de zevende eeuw door velen geïnterpreteerd als de islam, een godsdienst die vanuit het niets en  in korte tijd een enorm uitgestrekt imperium wist op te bouwen. De drie andere rijken uit het citaat waren het Romeinse, het Byzantijnse en het Perzische, de drie grote rijken in de laat-antieke periode die om de wereldheerschappij vochten.

Er zit zeker iets bewust provocerends in Hollands titelkeuze: de islam wordt geschilderd een van zijn meest agressieve en imperialistische gedaantes. Het verhaal dat Holland beschrijft over de opkomst en zegetocht van de islam in de zevende eeuw staat in vele opzichten haaks op de officiële islamitische overlevering. Daar is natuurlijk niets op tegen. Integendeel zelfs: religieuze overlevering maakt deel uit van de religie zelf en moet dus kritisch worden benaderd. Het is aan een onafhankelijke geschiedschrijving om de overgeleverde ontstaansgeschiedenis van een religie met het grootste wantrouwen te bekijken. Toch is Tom Hollands boek veel meer dan een poging tot analyse van het ontstaan van de islam, hoewel daar tijdens de promotie van en in het commentaar op het boek de meeste aandacht aan is geschonken, en bevat dat onderdeel van zijn boek wellicht de meest ‘aanstootgevende’ passages, zeker voor gelovige moslims.

De ondertitel van het boek luidt: “God, de strijd om de wereldmacht en het einde van de oudheid.” Deze titel dekt de lading wel. Holland beschrijft grofweg de periode tussen de vijfde en de achtste eeuw, een periode die met de val van het West-Romeinse Rijk in 476 niet alleen het einde van de oudheid inluidde, maar ook – en dit is het punt dat Holland wil maken – de officiële doorbraak van het monotheïsme: “Van alle verschillende stempels die op de moderne wereld zijn gedrukt en die kunnen worden teruggevoerd op de oudheid (alfabetten, democratie) is er niet één die meer invloed heeft gehad op het wereldbestel dan de instelling van diverse soorten monotheïsmen als staatsreligie”.

De identiteit van mensen werd in deze wereld niet langer bepaald door koninkrijken, maar door verschillende opvattingen van de Ene God. Deze ontwikkeling betekende een transformatie van de menselijke samenleving met onafzienbare consequenties voor de toekomst, aldus Holland. Hij citeert Hegel: “Als de wereld van de ideeën eenmaal is getransformeerd, houdt de werkelijkheid niet lang stand.” Het is dat kantelmoment, waarvan de opkomst en de doorbraak van de islam het culminatiepunt is, dat Holland met verve beschrijft.

De grote verdienste van het boek van Holland is dat het de islam in een context plaatst waarvan zowel de moslims zelf als de  westerlingen zich niet (of nauwelijks) bewust zijn. Holland laat de islam ontstaan uit ‘de borrelende religieuze smeltkroes’ van het laat-antieke Nabije Oosten. Die periode ziet hij als gekenmerkt door een “overvloed aan experimentele activiteit”. De islam is het resultaat van die activiteit, veroorzaakt door de vaak zeer gewelddadige contacten tussen de drie grote rijken die elkaar in het Midden-Oosten ontmoetten – het Romeinse, het Byzantijnse en het Perzische – en de vele religies en religieuze sekten die in die rijken aanwezig waren. “Hoe logisch is het dan om, met dat alles in het achterhoofd, de opkomst van de islam te verklaren door alleen naar de islam zelf te kijken?”

De Koran, zo zegt hij duidelijk, is geen geschiedenisboek. Voor Holland is het Kalifaat daarom “het laatste, het definitieve en het meest bestendige rijk van de oudheid.” Volgens de officiële moslimtraditie – voor wie de islam ontstaan is uit de goddelijke openbaring aan de analfabeet Mohammed – is dit uiteraard je reinste blasfemie. Maar ook de westerling  – zelfs de historisch geïnteresseerde westerling – is met de door Holland met veel brille en inleving geschilderde historische context  niet vertrouwd. Ook hij beschouwt de islam nog al te vaak als een gewelddadige, in een ruwe stammenwereld in de Arabische woestijn ontstane godsdienst. Met de val van de laatste Romeinse keizer in het westen, beginnen – althans vanuit een westers perspectief – traditioneel de donkere Middeleeuwen. Holland maakt snel duidelijk dat het Midden-Oosten op dat ogenblik alles behalve in donkerte verzonken is. Hoe verder de lezer in het boek van Holland vordert, hoe meer hij zich verbaast (en schaamt!) over zijn eigen onwetendheid over een periode die klaarblijkelijk essentieel was voor de geschiedenis van Europa en het Midden-Oosten. Of is het vooral Hollands schrijfstijl die de lezer dat idee geeft?

Holland heeft inmiddels een stevige reputatie opgebouwd als historicus met synthetische studies over dramatische keerpunten in de wereldgeschiedenis, zoals de Perzische invasie van Griekenland of het einde van de Romeinse republiek. ‘Studies’ is eigenlijk niet de juiste omschrijving. Er is weinig academisch aan Hollands boeken, of het zouden de indrukwekkende bibliografieën moeten zijn en zijn belezenheid. Zijn boeken lezen als spannende romans. Dat is een grote kwaliteit. Het vierde beest is geschreven met een opvallend epische adem. Het historische notenapparaat wordt zoveel mogelijk op de achtergrond gehouden om het verhaal  niet te onderbreken. Hollands inlevingsvermogen, zijn literaire schrijfkwaliteiten en zijn evocatieve kracht reconstrueren een wereld op de manier die alleen door een historische roman geëvenaard kan worden. Het is dan ook niet toevallig dat hij een sectie in zijn boek opneemt die Dramatis personae heet en waarin hij de belangrijkste personages per hoofdstuk kort voorstelt.

Wat Holland ontvouwt is het dramatische verhaal van de doorbraak van het monotheïsme als staatsvormende godsdienst aan de hand van een aantal historische figuren die we bij momenten geportretteerd krijgen als romanpersonages. Zo lezen we over Kavad en Khusro, vader en zoon, beide heersers over Iranshahr (Perzië): “Hoewel Kavad al twee zoons had bij andere vrouwen, was zijn derde zoon, Khusro, ‘hem geschonken door de zus van Aspedebes, degene van wie de vader het meest hield’. Begaafd, gewetenloos en moedig: Khusro zou het allemaal blijken te zijn. Als Kavad naar zijn jongste zoon keek, zag hij dus ongetwijfeld het koninklijke beeld van zichzelf in hem weerspiegeld. Toch zou zijn onverholen voortrekkerij naarmate de jaren verstreken en Khusro behalve volwassen ook steeds verwaander werd, bijna tot een grote constitutionele crisis leiden.”

Het boek  is een bewonderenswaardige krachttoer, maar niet helemaal onproblematisch – h het staat misschien zelfs wat haaks op de stelling die Holland in het boek zelf verdedigt. Holland stelt namelijk dat de ontstaansgeschiedenissen van de drie monotheïstische godsdiensten geen eenduidig lineair verhaal zijn, maar menselijke constructies die door de eeuwen heen tot stand zijn gekomen via strijd en conflict, en die door onderzoek kunnen worden blootgelegd – of ontmaskerd. Dat moet dus ook gelden voor zijn eigen historisch verhaal. Maar door zijn eigen betoog niet te onderbreken of relativeren en het te presenteren als een soort roman, verbergt Holland enigszins zijn constructie en montage. Op basis van slechts enkele historische gegevens slaagt hij erin een groot geheel te construeren, maar daarbij is de grens tussen reconstructie en constructie soms erg dun. Natuurlijk moet de geschiedschrijver over een grote dosis verbeelding beschikken, anders kan hij de verzamelde historische data niet tot leven brengen. Het is aan andere historici om uit te maken of en waar Holland soms de lijn overschrijdt en zijn hypotheses voor werkelijkheid neemt.

Holland gebruikt nog een andere techniek om de lezer bij zijn verhaal te betrekken. Zo beschrijft hij de antieke wereld in opvallend eigentijdse termen. Zoals bijvoorbeeld in deze passage over de hoger al vermelde Kavad, koning van Iranshar uit eind vijfde en begin zesde eeuw: “Het getuigde van de onwrikbaarheid van het koninklijke voornemen niet te bezuinigen op het budget voor de waterbouw, zelfs niet midden in een crisis en op het randje van de financiële ondergang. Sommige investeringen waren het geld altijd waard.” Naast deze economische woordenschat duiken ook eigentijdse politieke termen als ‘democratie’, ‘communisme’ en ‘globalisering’ op. Deze ‘anachronistische’ woordenschat is uiteraard een bewuste keuze. Wat wil Holland daar precies mee zeggen?

Dat de wereld die hij beschrijft een soort van spiegel is voor het nu? Dat de processen die het verleden vorm gaven niet fundamenteel anders zijn dan de processen die het heden vormgeven? De lezer voelt zich in elk geval snel thuis in de wereld die Holland beschrijft, hoe vreemd de namen van volkeren en steden hem ook in de oren mogen klinken. Holland is – en dat geld ook voor zijn andere boeken – vooral geïnteresseerd in dramatische kantelmomenten. Hij beschrijft als geen ander de onrust, de innerlijke kwelling en de verwarring van een tijdperk. En ook daarin, in het apocalyptische gevoel van de vijfde en zesde eeuw zal de hedendaagse lezer zich zonder veel moeite herkennen.

In de laat-antieke periode wordt door de drie grote rijken permanent gestreden om de wereldmacht, en tegelijk leeft het besef dat die macht heel kwetsbaar is indien ze geen goddelijke bescherming krijgt. En precies dit laatste, de idee van de goddelijke bescherming of goddelijke steun, is de inzet van Hollands boek. Die idee noemt hij een van de schokkendste ontdekkingen van de oudheid: “dat nadenken over hoe God zich op aarde had geopenbaard kon leiden tot een verandering in de manier waarop hele volken dachten en zich gedroegen.” Holland beschrijft hoe dit in zijn werk ging bij de christenen, de joden, de zoroasters (volgelingen van Zarathoestra) en de moslims, en ontdekt snel soortgelijke mechanismen.

Holland maakt duidelijk dat de monotheïstische religies niet uit de lucht kwamen vallen, maar het resultaat waren van externe beïnvloeding en interne conflicten. Voordat de grote monotheïstische religies hun officiële, vaste vorm kregen, gingen ze door lange, chaotische processen van transformatie die vaak gepaard gingen met bloedige strijd tegen interne en externe vijanden. Hoewel Holland nooit het zicht verliest op het belang van een verwijzing naar het goddelijke – macht en overwinning werden immers beschouwd als gunstbetuigingen van God – is zijn geschiedschrijving uiteraard radicaal ‘ondermaans’.

Hij probeert het ontstaan en de ontwikkeling van de religie te verklaren vanuit wereldse motieven en oorzaken. Vooral met betrekking tot de islam zal dat zeker tot discussies leiden. In tegenstelling tot het christendom is de islam in eigen rangen niet of nauwelijks geconfronteerd met een diepgaande historische kritiek. Sinds de publicatie van Ernest Renan in 1863 van La vie de Jésus, waarin hij het leven van Jezus aan een strenge historische kritiek onderwerpt, is het christendom vertrouwd met kritisch bronnenonderzoek naar de religieuze overlevering. Dat is niet het geval bij de islam. Veel van het kritische onderzoek naar de islam gebeurt aan Westerse universiteiten. Maar zelfs daar zijn onderzoekers zeer voorzichtig met het wereldkundig maken van hun bevindingen vanwege de agressie die uitgaat van fundamentalistische groeperingen die op dit ogenblik het intellectuele klimaat in de islamitische wereld bepalen. De Arabische lente heeft daar helaas weinig verandering in gebracht.

Met betrekking tot de studie van de oorsprong van de islam is Holland nochtans zeer duidelijk. We beschikken niet over enige directe bron uit de tijd van de Profeet. Holland beschrijft zelfs een periode na de dood van de Profeet waarin de nagedachtenis aan hem zo goed als verdwenen was. Zo stelt Holland dat de kalief Mu’awiya (661-680), die Ali, de  schoonzoon van de Profeet, versloeg in de strijd om de opvolging, zich aan de Profeet en zijn leer weinig gelegen liet liggen. Er zijn geen inscripties of documenten uit zijn regeerperiode waarin de Profeet vermeld wordt en er zijn evenmin Korans of Koranfragmenten uit die periode bewaard gebleven. Mu’awiya liet ieder gelovige, van welke religie dan ook, leven zoals hij wilde: “Wat de toekomst leek te brengen was een wereldomvattend rijk van vele geloven waarin geen van alle nog langer de overhand had.” Voor Holland is dit een duidelijk bewijs dat de religieuze doctrines van de islam pas lang na de dood van de Profeet tot stand kwamen vanuit de behoefte om de Arabische macht te bestendigen en te rechtvaardigen. Want welke betere rechtvaardiging is er dan het goddelijke zegel?

De eerste biografie van de Profeet dateert van twee eeuwen na diens dood. En naarmate de Profeet langer dood was, dook er steeds meer informatie over zijn leven en zijn daden op! Van geen enkele religieuze leider zijn er zoveel details bekend en opgetekend in tienduizenden hadiths. Maar in 1950 beweerde de Duitse onderzoeker Joseph Schacht reeds: “We moeten af van de ongefundeerde veronderstelling dat er oorspronkelijk een authentieke kern van informatie heeft bestaan die dateert uit de tijd van de Profeet.” Met andere woorden: er zijn geen directe bronnen. Alle informatie over de Profeet dateert van veel later.

De implicaties daarvan zijn natuurlijk gigantisch: “Zonder alle commentaren die opheldering geven over zijn mysteries en zonder alle biografieën van de Profeet en alle uitgebreide verzamelingen hadiths, waarvan er niet één, in de vorm waarin wij ze bezitten, dateert van voor het begin van de derde eeuw na de hidjra, zouden we schokkend genoeg nauwelijks aanleiding hebben het boek met ene Mohammed in verband te brengen.”

Holland beweert dat veel gebruiken die als authentiek islamitisch worden beschouwd, overgenomen zijn uit andere religieuze praktijken. Dat is niet verwonderlijk gezien de religieuze smeltkroes waarin de islam ontstond en gezien de vele culturen waarmee de moslims op hun veroveringstochten in aanraking kwamen. Zo wordt in de Koran voor overspel als straf zweepslagen opgelegd, terwijl de hadiths en de juristen steniging voorschrijven. Steniging is waarschijnlijk een joodse invloed. De eis om vijf maal daags te bidden komt waarschijnlijk van de zoroasters. De biografen van Mohammed beweren dat Mekka een heidense stad was, maar veel waarschijnlijker is dat judaïsme en christendom er duidelijk aanwezig waren en dus de nieuwe godsdienst hebben beïnvloed.

De islam is, met andere woorden, een gigantische en indrukwekkende montage en collage van heterogene elementen, die echter allemaal aan de Profeet werden toegeschreven in het besef dat die band het ultieme authenticiteitsbewijs was.  Holland gebruikt daarvoor een prachtig beeld: “Als een imposante bergwand die uit verschillende lagen sedimenten is opgebouwd, waarin zo nu en dan een fossiel kan worden aangetroffen, blootgelegd door vallend gesteente en erosie, laat de Koran glimpen zien van hele tijdperken die gekomen en gegaan zijn en die, besloten in zijn tekst, nog altijd voortbestaan.”

Van de propaganda van Romeinse keizers tot de verhalen van christelijke heiligen, en van sinds lang verdwenen gnostische evangeliën tot antieke Joodse traktaten; allemaal hebben ze duidelijk en aantoonbaar hun sporen nagelaten in de Koran, aldus Holland. De Koran werd helemaal niet geopenbaard aan een analfabeet. De Profeet legt volgens Holland onmiskenbaar ‘de gevoeligheid van een boekenmens’ aan de dag.

Holland komt tot de voor bepaalde groepen moslims ongetwijfeld schokkende, maar vanuit zijn analyse onvermijdelijke conclusie dat de islam zoals we die nu kennen werd vastgelegd door geleerden tijdens de dynastie van de Abassieden: “De ulama konden, door strikt de hand te houden aan wat er in de geschiedenisboeken terechtkwam, een visie op hun eigen verbluffend rijke en complexe beschaving propageren die vrijwel alles wat daarin van waarde was toeschreef aan de Profeet en niemand anders dan de Profeet. Er werd in alle talen gezwegen over de enorme rol die talloze anderen hadden gespeeld in de vorming van de islam, (…).” In Het vierde beest heeft Holland een poging ondernomen om de rol van die talloze anderen te synthetiseren.

Wat moet de islam zelf met deze explosieve kennis? Die vraag is niet zo eenvoudig te beantwoorden. Het heeft het christendom ook tijd gekost om te leren omgaan met historisch en wetenschappelijk onderzoek. De kracht van de islam is eeuwenlang ongetwijfeld zijn monolithisch karakter geweest. Maar die kracht heeft intussen iedere soepelheid verloren en is versteend geraakt in fundamentalisme. Op dit ogenblik zoekt de islam zijn vernieuwing helaas enkel in de kritiekloze bevestiging en versterking van zijn traditie, terwijl volwassenwording in een geglobaliseerde en interdependente wereld wellicht ligt in de aanvaarding van een complexere en historische wordingsgeschiedenis die ook de inbreng van andere actoren erkent.

Tom Holland, Het vierde beest. God, de strijd om de wereldmacht en het einde van de oudheid, Athenaeum – Polak& Van Gennep, Amsterdam 2012

This entry was posted in Books. Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *