Wat het betekent, een realist te zijn

“Wij geloven in de utopie, omdat de werkelijkheid ongelofelijk is”
-Spandoek bij een demonstatie tegen de crisispolitiek in Madrid, 1 mei 2012.

 

 

Luid weerklinkt de roep om realisme. Zij bestaat uit een mengsel van nietsontziende daadkracht en blind fatalisme, niet ongewoon in crisistijd. Een combinatie die naar voren komt in het recent gepopulariseerde idee dat politiek heden ten dage niets anders inhoudt dan een zeer bijzondere vorm van atletiek. Politiek is gereduceerd tot een wedstrijdje over de eigen schaduw springen. Waarbij de ene politicus nog enthousiaster dan de ander, zijn schaduw – ofwel zijn overtuigingen – achter zich laat middels een grote sprong in het luchtledige. Verschoond van ideologische ballast, tonen deze politici zich vervolgens trouwe adepten van de bezuinigingsdecreten opgelegd vanuit de heersende economische orthodoxie, die doorgaat voor objectieve realiteit.

´De ware politicus, aldus Gramsci, heeft als doel om een nieuwe krachtenverhouding te scheppen, uitgaande van een specifieke progressieve tendens in de huidige verhoudingen. Ware politiek staat daarmee met een been in het heden en een been in de toekomst, en leeft van de spanning tussen de twee´

Eenieder die weigert mee te doen aan dit schaduwspel van ideologische gelijkschakeling, eenieder die gelooft dat een crisis niet bestreden kan worden met de neoliberale middelen waarmee zij is gecreëerd, eenieder die zich weigert te voegen naar het nieuwe democratische centralisme, wordt voor een onverantwoordelijke fantast uitgemaakt. Van de bevolking eist men ondertussen dat zij zich volwassen toont, bestaande verwachtingspatronen laat varen, en pijnlijke ingrepen voor lief neemt. Het zijn tenslotte uitzonderlijke tijden.

Het is eenzelfde vorm van dwingend realisme, dat als afweermiddel functioneert ten opzichte van hedendaagse protestbewegingen van zowel linker- als rechterzijde.

Zo beroepen tegenstanders van het rechtspopulisme in Nederland zich vaak op een betere verstandhouding met de realiteit. Het idee dat de tegenstander misschien de verbeelding, de oneliners en de smakelijke metaforen tot zijn beschikking heeft, maar dat zij de feiten en de werkelijkheid aan hun zijde hebben staan. Dit gaat meestal gelijk op met een pleidooi voor meer nuance in de politiek, of met klachten over het gebrek aan interesse voor de complexiteit van de sociale werkelijkheid bij de journalistiek. Het is het bekende repertoire van het empirisme, dat ervan uitgaat dat het rechtspopulisme het best bestreden kan worden door te klagen over ‘fact-free politics’ en te wijzen op het bestaan van statistiek. De dominantie van deze empiristische ideologie in de Nederlandse politiek, is onder meer af te lezen aan de onredelijke orakelstatus die toegekend wordt aan de cijfermeesters van het CPB, wiens voorspellingen bijna altijd incorrect blijken te zijn[1].

Nu is er op zich niets mis met werkelijkheidszin. Zeker als het gaat om de correctie van alledaagse onwaarheden die worden verspreid over migratie, islamisering en ga zo verder. Het empirisme schiet echter al snel door en creëert op haar beurt een misleidend beeld van de werkelijkheid, door te doen alsof een geheel op feiten gebaseerde politiek mogelijk is. Een aanname die inhoudt dat de toekomst een continue voortzetting is van het heden en daarmee kenbaar is. Zo kan het gebeuren dat realisme gelijk is komen te staan met een conservatieve opvatting van politiek. Met een beroep op realisme wordt immers elk alternatief voor de bestaande orde, elk toekomstbeeld dat niet past in het stramien van mogelijkheden in het heden, als onrealistisch terzijde geschoven. In andere woorden, het probleem van het empirisme is dat het ervan uitgaat dat verbeelding (van politieke alternatieven, van een andere toekomst) en realisme inherent met elkaar in contradictie zijn. Het veranderen van de status-quo is echter onmogelijk zonder de verbeelding van een alternatieve werkelijkheid die bereikt moet worden. Daardoor lijkt het empirisme elke politiek die verandering behelst, onmogelijk te maken.

Dit is tevens wat linkse protestbewegingen tegen de huidige crisispolitiek ondervinden, of ze nu uit Spanje, Griekenland of de Verenigde Staten komen. Demonstranten wordt verweten niet realistisch en concreet genoeg te zijn, omdat zij geen haalbaar eisenpakket naar voren schuiven. Het lijkt wel alsof democratisch protest alleen nog geaccepteerd wordt, mits het voorzien is van haalbaarheidsstudies, kostenbaten analyses en bullet points.

In deze tekst wil ik aandacht besteden aan een andere vorm van realisme, die wordt voorgestaan door een lange traditie van linkse politiek. Een realisme dat juist uitgaat van de kritische samenkomst van realisme en verbeelding, zoals verwoord door de ’68 slogan ‘wees realistisch, eis het onmogelijke’, de andersglobaliseringslogan ‘een andere wereld is mogelijk’, of als parlementaire variant de ‘utopische drift’ van Den Uyl.

Deze traditie is evengoed terug te vinden in de politieke filosofie, waar al langer gewezen wordt op de centrale rol van de verbeelding in elke vorm van menselijke activiteit. Zo is er de bekende passage in Marx’ zijn Kapitaal, waar hij stelt dat de onderscheidende kwaliteit van mensen ten opzichte van dieren, te vinden is in de transformatie van de natuur middels de verbeelding:

“Een spin verrichtwerkzaamheden die op die van een wever gelijken, en een bij beschaamt door de bouw van haar wassen cellen menig menselijk architect. Maar wat de slechtste architect in principe van de beste bij onderscheidt, is het feit dat hij de cel in zijn hoofd gebouwd heeft alvorens haar in was te bouwen.” (Karl Marx, Das Kapital MEW Band 23 p. 193)

Hetzelfde kan gezegd worden over de politiek: haar centrale bezigheid is de transformatie van de bestaande realiteit, en dat is onmogelijk zonder een mentaal beeld van de nog onbestaande toekomst – zelfs als, paradoxaal genoeg, dat beeld afkomstig is uit het verleden. In andere woorden, het politieke bestaat bij de gratie van de verbeelding van andere werkelijkheden, en de falsificatie van de realiteit die verbeeld wordt door tegenstanders. Dit betekent niet dat politiek simpelweg draait om fabricatie. Enkel dat de waarheid van voorgestelde realiteiten slechts ten volste kan worden beoordeeld in de toekomst, of in het verleden.

In dat opzicht is er een belangrijk verschil tussen de linkse en de rechtse verbeelding. Met enige simplificering kunnen we stellen dat linkse bewegingen de verbeelding gebruiken om voorbij te gaan aan het heden, naar een beeld van een rechtvaardiger toekomst. Het rechtspopulisme op haar beurt, poogt de maatschappij te veranderen middels de verbeelding van een geïdealiseerde verleden. Of dat nu een terugkeer naar de jaren vijftig of de gulden is, zoals voorgesteld door Geert Wilders, de inzet van middeleeuwse mythologie door de Lega Nord, of het beroep op de Amerikaanse patriotten door de activisten van de Tea Party. Het is een beeld van het verleden dat niettemin in de toekomst bereikt moet worden, en daarmee functioneert als een soort ersatz utopie, een omgekeerde politieke horizon. Het contradictoire karakter van deze veranderingsgezinde, maar conservatieve vorm van politiek is op klassieke wijze samengevat in Il Gattopardo van Visconti, alwaar een Italiaanse aristocraat wordt opgevoerd die op de brokstukken van een desintegrerend feodaal systeem, mijmert over hoe de oude rangen en standen in een nieuwe vorm behouden kunnen blijven: “alles moet veranderen om alles bij het oude te houden.”

Een van de sleutels van het succes van het rechtspopulisme is te vinden in de contradictoire wijze waarin nostalgie naar het verleden wordt gebruikt om verandering in de toekomst na te streven. (Zoals Fortuyn zijn radicale kritiek op de polderpolitiek, aanvulde met een pleidooi voor een terugkeer van de vaderlijke autoriteit, die zo effectief was ondermijnd in de jaren zeventig). Auteurs als Thomas Frank wijzen erop dat op deze wijze het rechtspopulisme de enige hedendaagse partijpolitieke beweging is die een maatschappelijk alternatief probeert te verbeelden. Vanuit dit perspectief gezien is de overheersende politieke respons op het rechtspopulisme ineffectief, juist omdat het te apolitiek en empiristisch van aard is. Het gaat ervan uit dat onze rol beperkt is tot het controleren van feiten van onze tegenstanders, en het ridiculiseren van hun nostalgische beeldvorming, in plaats van het formuleren van een eigen alternatief, een eigen horizon. Een antwoord op de behoefte aan politieke verbeelding die leeft onder de bevolking.

In On the Shores of Politics, schrijft Jacques Rancière over het einde van de politiek als de afsluiting van een bepaald gebruik van de tijd: die van de belofte. De belofte functioneerde als een politieke horizon; het was een gemeenschap die aanstaande was; een bestemming; een utopisch eiland. In andere woorden: politiek ging over een betere toekomst. Dit beroep op de tijd vervalt als in de jaren tachtig het einde van de geschiedenis wordt ingeluid. Dit leidt tevens tot de ondergang van de politiek als programma van bevrijding, als belofte van geluk. De belofte wordt vervangen door een politiek die volgens Rancière ‘geheel in het heden wordt beoefend, met als toekomst niets anders dan een voortzetting van het heden, betaald, natuurlijk, door de vereiste bezuinigingen en hervormingen’.

Het einde van de politiek wordt ons dus opgedrongen als een proces van secularisatie: het einde van de politiek als geloof in een betere toekomst. Het betekent het voorbijgaan aan ideologie, naar een terrein waar elke belofte onmiddellijk aangevallen wordt op grond van haar gebrek aan realisme. Als onverwachte reactie op deze verschuiving, aldus Rancière, verschijnt een derde vorm van politiek in de vorm van de antibelofte, zogezegd ‘niet de horizon van een reis, maar de rand van een afgrond’. De antibelofte is in wezen een oproep tot eenheid, als reactie op een belofte van het ergste: de ondergang van de samenleving. Of in meer hedendaagse verschijningen: islamisering, terrorisme, en het apocalyptische denken van de Tea Party dat haar achterban de invoering van een Amerikaanse socialisme belooft.

Hiermee hebben we drie verschillende vormen van het politieke gebruik van tijd. De politiek van de belofte, het einde van de politiek, en de politiek van de afgrond. De eerste is die van het utopisch realisme, dat we vinden bij figuren als Martin Luther King met zijn droom van een egalitaire samenleving of bij de vele linkse protestbewegingen. De positie van postideologische partijen, van het radicale midden, zoals New Labour in de UK of in Nederland het CDA en PvdA is een voorbeeld van de tweede variant. Het rechtspopulisme is een voorbeeld van de derde. Natuurlijk is er geen eenduidige ideologische onderverdeling van het politieke gebruik van tijd. De milieubeweging bijvoorbeeld, is in haar repertoire meer georiënteerd richting de afgrond dan richting de belofte. Maar wat essentieel is hier, is dat het antwoord op het rechtspopulisme dat door het empirisme naar voren wordt geschoven, juist hetgene is dat door auteurs als Chantal Mouffe gezien wordt als de oorzaak van de opkomst van het populisme. Namelijk een politiek gebaseerd op een idee van realisme, die zich beperkt tot wat haalbaar is in het heden, in de bestaande verhoudingen.

Dit wordt mooi weergegeven in wat Gramsci, refererend aan Machiavelli, ‘effectieve’ realiteit noemt (realtà effetuale):

‘Te veel (daardoor oppervlakkig en mechanisch) politiek realisme leidt vaak tot de vaststelling dat een staatsman enkel binnen de grenzen van de “effectieve realiteit” moet werken; dat hij zich niet moet bezig houden met wat ‘zou moeten zijn’, enkel met wat ‘is’. Dit zou betekenen dat hij niet verder moet kijken dan de punt van zijn neus…’

In de redenering die Gramsci vervolgens ontvouwt, stelt hij dat de enige manier om de werkelijkheid echt te kennen, is om een programma te hebben om die werkelijkheid te transformeren. Omdat de werkelijkheid een product is van de aanwending van de menselijke wil op de samenleving, en niet geheel volgens wetten gekend kan worden, is er geen objectieve voorspelling van de toekomst mogelijk zonder een voorafgaand wereldbeeld. Een Weltanschauung die de alledaagse complexiteit van de wereld simplificeert, ordent en begrijpbaar maakt. Omdat het heden niet statisch is, maar zich in continue flux bevindt, kan men alleen via passie, via een investering van verlangen, de vectoren in het heden waarnemen, op een dergelijke wijze dat het mogelijk wordt iets te veranderen: ‘enkel de mens die iets met overtuiging wil, kan de elementen identificeren die noodzakelijk zijn voor de verwerkelijking van die wil’. Het gevolg is dat er geen noodzakelijk onderscheid is tussen de verbeelding van een toekomstige realiteit en het bewustzijn van het heden:

‘De actieve politicus is een schepper, een initiator; maar hij creëert niet uit het niets noch beweegt hij zich puur in de troebele wateren van zijn eigen dromen en verlangens. Hij baseert zich op de effectieve realiteit, maar wat is deze effectieve realiteit? Is zij statisch en onbeweeglijk, of is het niet eerder een verhouding van krachten, in voortdurende beweging en verschuiving van balans?

De ware politicus, aldus Gramsci, heeft als doel om een nieuwe krachtenverhouding te scheppen, uitgaande van een specifieke progressieve tendens in de huidige verhoudingen. Ware politiek staat daarmee met een been in het heden en een been in de toekomst, en leeft van de spanning tussen de twee. Het zijn de momenten van tactiek (het korte termijn objectief: het winnen van de slag) en strategie (de lage termijn: de planning van de oorlog). Ware politiek speelt zich daarmee af op het terrein van de zogenaamde ‘effectieve realiteit’, maar altijd met het doel om aan die realiteit voorbij te gaan:

Wat ‘zou moeten zijn’ is daarom niet minder concreet; het is zelfs de enige realistische en historiserende visie op de werkelijkheid, het gaat erom geschiedenis te schrijven en nieuwe denkbeelden te scheppen, alleen dit telt als politiek.’

Dat aspect van de politiek van de belofte moeten we op een of andere manier weer tot leven zien te wekken: het doel om de krachtsverhoudingen op een dergelijke wijze te veranderen, om de verwezenlijking van een realiteit mogelijk te maken, die onder de huidige omstandigheden simpelweg onrealistisch is. Is dat niet waar de Occupy beweging een aanzet toe heeft gegeven? Met haar eis dat eerst de bestaande instituties moeten veranderen voordat er verdere eisen gesteld kunnen worden?

NOTE: Korte tekst over politiek realisme, die binnenkort in het laatste nummer van Eutopia uitkomt.

[1] Zie bvb: ‘Centraal Planbureau zit er bijna altijd naast’, NRC Handelsblad 29 april 2009.

UIT: www.flexmens.org

This entry was posted in Politics, West, World. Bookmark the permalink.

Leave a Reply

Your email address will not be published. Required fields are marked *

You may use these HTML tags and attributes: <a href="" title=""> <abbr title=""> <acronym title=""> <b> <blockquote cite=""> <cite> <code> <del datetime=""> <em> <i> <q cite=""> <strike> <strong>